Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
06-4028 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. In hoger beroep nadere motivering van de signaleringen.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4028 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 juni 2006, 05/1202 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 4 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene, voorheen werkzaam als schoonmaakster voor 22,5 uur per week, ontving sedert augustus 1991 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is zij op 14 februari 2005 onderzocht door een verzekeringsarts, die beperkingen aannam welke hij vastlegde in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Na functieselectie berekende een arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit van betrokkene op 6,19%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 15 april 2005 de WAO-uitkering van betrokkene per 16 juni 2005 ingetrokken.

2. In het kader van de behandeling van het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft een bezwaarverzekeringsarts de FML op de aspecten frequent reiken en frequent lichte voorwerpen hanteren aangescherpt. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee de functies in het licht van de aangescherpte beperkingen opnieuw beoordeeld en daarbij enige van de geselecteerde functies voor betrokkene ongeschikt geacht. Op basis van de resterende functies is het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 16,8%. Hierop heeft het Uwv bij besluit van 27 september 2005 (bestreden besluit) het bezwaar gegrond verklaard en de WAO-uitkering van betrokkene per 16 juni 2005 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%.

3.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepalingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd vanwege gebreken in de arbeidskundige grondslag. De rechtbank was van oordeel dat de geautomatiseerde vergelijking van de FML en de functiebelastingen lacunes vertoonde, met name bij de vergelijking van een bijzondere belasting met de aspecten waarop betrokkene belastbaar was geacht overeenkomstig de normaalwaarde. De rechtbank was voorts van oordeel dat niet alle niet-matchende punten waren toegelicht. Naar het oordeel van de rechtbank dienden alle niet-matchende punten handmatig te worden beoordeeld, omdat niet-matchende punten er bij de geautomatiseerde vergelijking tussendoor konden glippen.

4.1. Het Uwv heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden voor zover dit betrekking heeft op de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4.2. Betrokkene heeft gehandhaafd dat zij arbeidsongeschikt is.

5. 1. De Raad stelt vast dat, nu betrokkene geen hoger beroep heeft ingesteld en het hoger beroep van appellant zich uitsluitend richt tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de arbeidskundige grondslag van de herziening van de WAO-uitkering, de medische grondslag van het besluit tot herziening van de WAO-uitkering in hoger beroep niet ter beoordeling staat.

5.2. De Raad stelt voorts vast dat het Uwv zijn grieven niet langer handhaaft.

De rechtbank heeft het bestreden besluit dan ook terecht vernietigd.

5.3. In hoger beroep heeft het Uwv een rapport van 31 januari 2008 van bezwaararbeidsdeskundige Van Rhee ingezonden. In dit rapport heeft Van Rhee de signaleringen op de functiebelastingen nader toegelicht. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de Raad onder verwijzing naar laatstgenoemd rapport gesteld dat gelet op de nadere motivering van de signaleringen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

5.4. De Raad is van oordeel dat in het rapport van 31 januari 2008 afdoende is gemotiveerd dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies telefonist, receptionist (SBC-code 315120), assistent consultatiebureau (SBC-code 372091), receptionist, baliemedewerker (SBC-code 315150) en acquisiteur, verkoper (SBC-code 516180) in overeenstemming is met de toentertijd voor betrokkene geldende FML. Betrokkene moest dan ook in staat worden geacht die functies te verrichten.

Dit betekent dat de schatting per 16 juni 2005 thans op een adequate arbeidskundige grondslag berust. Gelet hierop kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

6. Hetgeen onder 5.2 tot en met 5.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, behalve voor zover daarbij aan het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak behalve voor zover daarbij aan het Uwv de opdracht is gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

RB2105