Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3450

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
05-1199 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WAO-uitkering. Inkomsten uit arbeid. Horen in bezwaar; schijn van vooringenomenheid. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:5
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 36a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/216 met annotatie van Red
JB 2008/171
RSV 2008/257
NJB 2008, 1351
ABkort 2008/268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1199 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 januari 2005, 04/376 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Kootstra, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.S. Venema, kantoorgenoot van mr. Kootstra voornoemd, en zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts, werkzaam bij het Uwv.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 22 juni 2007 aan het Uwv vragen gesteld.

Naar aanleiding van deze vraagstelling hebben mr. Venema en de zuster van appellant bij afzonderlijke brieven van 16 juli 2007 een reactie ingestuurd. Het Uwv heeft de vraagstelling van de Raad bij brief van 2 augustus 2007 beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 20 november 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Venema en zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Swarts, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 6 april 1997 is aan appellant een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Voorts is aan hem een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) toegekend.

Naar aanleiding van observaties verricht vanuit het project “Arbeidsongeschikt” heeft de afdeling Bijzonder onderzoek van het Uwv een onderzoek uitgevoerd. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 17 februari 2003 dat is opgesteld door de opsporingsfunctionaris T. Osinga. Deze bevindingen hielden onder andere in dat appellant in de periode van 1 januari 1998 tot en met 14 februari 2003 werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten zonder daarvan melding te doen aan (de rechtsvoorganger van) het Uwv. Aan die bevindingen zijn onder andere ten grondslag gelegd verklaringen van een aantal getuigen met betrekking tot werkzaamheden van appellant tegen betaling in 1998 en 2002, observaties door onder andere Osinga in mei 2001 en in juli tot en met oktober 2002, de verklaring van appellant tijdens een verhoor op 5 februari 2003 inhoudende dat hij sinds 6 april 1997 voor vrienden, kennissen en buren allerlei lichte installatie- en onderhoudswerkzaamheden verrichtte en een berekening van inkomsten en uitgaven, waarmee volgens het rapport uitkeringsfraude kon worden aangetoond dat appellant naast zijn WAO-uitkering kennelijk nog andere inkomsten genoot. In het rapport is tevens vastgesteld dat, nu appellant omtrent de werkzaamheden en genoten inkomsten geen gegevens wenste over te leggen, het Uwv het recht op en/of de hoogte van de WAO-uitkering van appellant niet kon vaststellen.

Naar aanleiding van dit onderzoek is bij besluit van 14 februari 2003 de uitbetaling van de WAO-uitkering met ingang van 1 maart 2003 volledig geschorst. Aan dit besluit is evenvermelde vaststelling uit het rapport uitkeringsfraude ten grondslag gelegd.

Bij besluit van 26 februari 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant en zijn uitkering ingevolge de TW met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1998 ingetrokken. Aangegeven is dat geconstateerd is dat appellant werkzaamheden heeft verricht sedert 1998 en dat hij hieromtrent geen gegevens aan het Uwv wil overleggen. Voorts is vermeld dat het Uwv door toedoen van appellant niet kon vaststellen of hij nog recht op uitkering had en dat, indien appellant later alsnog zou meewerken aan de vaststelling van zijn recht op uitkering, deze kon worden heropend met ingang van de datum van meewerking.

Bij besluit van 17 maart 2003 heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde uitkeringen ingevolge de WAO en de TW over de periode 1 januari 1998 tot en met 28 februari 2003 ter hoogte van € 71.036,97 teruggevorderd.

Namens appellant is tegen die besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover het is gericht tegen het schorsingsbesluit, niet-ontvankelijk en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de eerste plaats geoordeeld dat onvoldoende is gebleken dat de hoorder bij de voorbereiding van de primaire besluiten betrokken is geweest. Voorts overwoog de rechtbank dat het Uwv terecht en op goede gronden de uitkering van appellant met ingang van 1 januari 1998 heeft ingetrokken en dat de onverschuldigd betaalde uitkering terecht is teruggevorderd.

Ten aanzien van het schorsingsbesluit heeft de rechtbank overwogen dat nu het besluit tot intrekking van de uitkering is geëffectueerd vóór het besluit tot schorsing van uitbetaling van deze uitkering, appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het schorsingsbesluit.

Namens appellant is in hoger beroep allereerst aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 7:5, eerste lid onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge dit artikelonderdeel moet het horen in de bezwaarprocedure geschieden door een persoon die niet bij de voorbereiding van het primaire besluit betrokken is geweest. In de bezwaarprocedure is appellant gehoord door mevrouw mr. A.I. Damsma (hierna: Damsma). Verder was er van de zijde van het Uwv alleen een verslaglegger aanwezig. Aangevoerd is dat uit het dossier blijkt dat Damsma ook bij de voorbereiding van het primaire besluit betrokken is geweest. In dit verband is gesteld dat in het frauderapport van 17 februari 2003 op bladzijde 8 wordt aangegeven dat de zaak op woensdag 12 februari 2003 en op donderdag 13 februari 2003 met Damsma, werkzaam op de afdeling Bezwaar en Beroep, is besproken. De genomen besluiten zijn – aldus appellants gemachtigde – directe gevolgen geweest van deze besprekingen en niet volgehouden kan worden dat er geen directe betrokkenheid van Damsma bij de voorbereiding van die besluiten is geweest.

Appellant bestrijdt tevens de waardering van de feiten door het Uwv en de daarop gebaseerde toepassing van artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder d, van de WAO.

In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft het Uwv als nadere toelichting gegeven dat medewerkers van de afdeling Bezwaar en Beroep regelmatig worden bevraagd door collega’s uit het primaire proces over de juridische aspecten van zaken. Zo is het hier ook gegaan. Uit het feit dat het rapport van de opsporingsambtenaar vermeldt dat de zaak op 12 en 13 februari 2003 met Damsma is besproken moet niet worden afgeleid dat zij zich twee dagen in het uitgebreide dossier heeft verdiept en vervolgens heeft gezegd welke beslissingen zouden moeten worden genomen. Er is alleen twee maal een juridisch vraagje aan Damsma gesteld. Het Uwv heeft hieraan toegevoegd dat indien de Raad van oordeel zou zijn dat het horen door Damsma een niet te passeren (schijn van) schending van een vormvoorschrift zou opleveren, de rechtsgevolgen van de besluiten in stand zouden kunnen worden gelaten. Het Uwv stelt dat het opnieuw horen door een ander weinig zin zou hebben omdat dit geen andere besluiten zou opleveren.

De Raad oordeelt als volgt.

Ter zitting van 16 januari 2007 is namens appellant uitdrukkelijk gesteld dat het besluit tot schorsing van de uitkering niet langer wordt aangevochten. De Raad beperkt zich in zijn beoordeling dan ook tot de intrekking en de terugvordering.

De rapporteur T. Osinga vermeldt op bladzijde 8 van het frauderapport dat hij de zaak op 12 en 13 februari 2003 met Damsma heeft besproken. Direct daarop volgend rapporteert hij dat

- de uitkering op grond van artikel 50, derde lid, van de WAO met onmiddellijke ingang moet worden geschorst;

- en de uitkering op grond van artikel 36a, sub d, van de WAO met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1998 moet worden ingetrokken.

Hierdoor wordt in ieder geval de indruk gewekt dat er een relatie bestaat tussen het bespreken van de zaak en de direct daarna geformuleerde conclusies over de te nemen beslissingen. Gelet op zowel de bewoordingen als de strekking van artikel 7:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is er geen aanleiding om betrokkenheid in de zin van die bepaling beperkt uit te leggen. In dat verband is onjuist de stelling dat het in het genoemde artikellid opgenomen voorschrift zich beperkt tot degenen die direct bij de voorbereiding van het besluit zijn betrokken. Reeds uit de tekst van dat artikellid volgt deze beperking niet. Waar voorts met het bedoelde voorschrift mede is beoogd te voorkomen dat vooringenomen wordt besloten op bezwaarschriften, dan wel dat de schijn van die vooringenomenheid wordt weggenomen, brengt dit mee dat het door een medewerker bespreken van een dossier als het onderhavige en terzake antwoord geven op enige juridische vragen, moet worden aangemerkt als betrokkenheid bij de voorbereiding van het bestreden besluit in de zin van bedoeld artikellid.

Hieruit concludeert de Raad dat er wel degelijk sprake is van schending van artikel 7:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Raad heeft zich vervolgens beraden over de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.

Nu appellant in een latere fase van de procedure voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt voor de onafhankelijke rechter uiteen te zetten, is de Raad van oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten. Daarbij heeft de Raad in zijn overwegingen betrokken dat het bestreden besluit inhoudelijk juist kan worden geacht. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.

De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank dat appellant niet aan de in artikelen 80 van de WAO en 12 van de TW neergelegde mededelingsverplichting heeft voldaan door geen melding te maken van zijn werkzaamheden. Ook is naar het oordeel van de Raad uit de gegevens in het dossier, waartoe de Raad in het bijzonder rekent de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden welke aan de bevindingen in het rapport uitkeringsfraude ten grondslag zijn gelegd, en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk geworden dat appellant vanaf 1998 werkzaamheden heeft verricht en daarvoor betalingen heeft ontvangen. De omvang van de werkzaamheden en de bedragen die appellant daarmee heeft verdiend heeft het Uwv niet kunnen vaststellen doordat appellant daarover volgens het Uwv aanvankelijk geen en later in de bezwaarprocedure geen relevante gegevens heeft verstrekt terwijl appellant dienaangaande ook nog wisselende verklaringen heeft afgelegd. Het Uwv heeft daarom toepassing gegeven aan artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder d, van de WAO. Op grond van dit artikel, voorzover hier van belang, trekt het Uwv de uitkering in indien door het niet of niet behoorlijk nakomen van de mededelingsverplichting niet kan worden vastgesteld of er nog recht op uitkering bestaat.

Naar aanleiding van de grief van appellant dat artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder d, van de WAO, niet had mogen worden toegepast overweegt de Raad het volgende. De Raad is van oordeel dat uit de systematiek van de WAO voortvloeit dat er een zekere rangorde kan worden gehanteerd bij de toepassing van deze bepaling en de artikelen 43 en 44. Uit de tekst van artikel 44 van de WAO blijkt immers dat dat artikel dient te worden toegepast indien er onzekerheid bestaat of de arbeid als arbeid bedoeld in artikel 18 van de WAO kan worden aangemerkt. Dit brengt mee dat zolang die onzekerheid bestaat niet aan artikel 43 van de WAO toepassing kan worden gegeven. Anderzijds brengt dit tevens mee dat indien die onzekerheid er niet is en de bedoelde arbeid minder dan drie jaar is verricht, de uitkering niettemin zal kunnen worden ingetrokken. Voorts is voor de toepassing van artikel 36a, eerste lid, onder d, van de WAO niet alleen vereist dat een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 niet of niet behoorlijk is nagekomen maar ook dat dit ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat. De Raad is tevens van oordeel dat voor de vraag of de keuze van het Uwv voor de toepassing van een van de genoemde artikelen rechtens aanvaardbaar is, naast de specifieke wettelijk vereisten voor toepassing van één van deze artikelen mede de feiten en omstandigheden van het concrete geval bepalend zijn. De onderliggende verhouding tussen de artikelen 36a, eerste lid, onder d, 43 en 44 van de WAO brengt echter wel mee dat een toepassing van artikel 36a, eerste lid, onder d, van de WAO eerst dan aan de orde is als de conclusie gerechtvaardigd is dat toepassing van artikel 43 of 44 van de WAO niet mogelijk is. Hiervoor is vereist dat het Uwv na zorgvuldig onderzoek, waarbij de betrokkene in de gelegenheid is gesteld alsnog concrete en relevante gegevens over zijn werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten te verstrekken, tot de conclusie is gekomen dat wegens het ontbreken van dergelijke gegevens de mate van arbeidsongeschiktheid niet op zorgvuldige wijze kan worden vastgesteld dan wel een verantwoorde schatting van de met deze werkzaamheden verworven inkomsten niet kan worden gemaakt.

De Raad stelt vast dat het Uwv appellant in het primaire besluit van 26 februari 2003 heeft geïnformeerd over de mogelijkheid van heropening van de WAO-uitkering in het geval appellant alsnog zou meewerken aan het vaststellen van zijn uitkeringsrecht. Tijdens de hoorzitting van 20 juni 2003 is vervolgens afgesproken dat de toenmalige gemachtigde van appellant nog tot half augustus de tijd kreeg om alsnog bewijzen te overleggen. Hiermee is naar het oordeel van de Raad appellante voldoende in de gelegenheid gesteld om achteraf nog de informatie te verstrekken die hij reeds voordien had moeten leveren.

De gemachtigde heeft op 14 augustus 2003 een groot aantal stukken naar het Uwv gezonden, waaronder loonspecificaties uit de tijd dat appellant nog in loondienst was, bankafschriften, een overzicht van leningen en getuigenverklaringen van personen met wie appellant bevriend was of voor wie hij gewerkt heeft. Die stukken acht de Raad, met het Uwv, niet relevant voor de beoordeling van dit geding omdat daaruit niet kan worden afgeleid hoeveel appellant in de periode in geding heeft gewerkt en wat hij verdiende. Eerst ter zitting van de Raad van 16 januari 2007 heeft de gemachtigde van appellant aangegeven dat appellant denkt in de jaren 1998 tot 2003 circa 500 uur te hebben gewerkt en € 3000,- tot € 4000,- te hebben verdiend. Deze niet nader onderbouwde en gespecificeerde verklaring komt de Raad niet aannemelijk voor. De Raad wijst er in dit verband op dat alleen al - uitgaande van de in de diverse getuigenverklaringen, gevoegd bij het rapport uitkeringsfraude, voor de door die getuigen vermelde werkzaamheden aan appellant betaalde bedragen - het totale bedrag van deze betalingen de op deze zitting vermelde verdiensten aanzienlijk overstijgt. Voorts is in diverse verklaringen van personen uit de kennissenkring van appellant gesteld dat appellant voor zijn werkzaamheden voor hen niet werd betaald, maar dat zijn inzet werd beschouwd als een vriendendienst die, mede vanwege de etnische achtergrond van de diverse betrokkenen, geschiedde op basis van wederkerigheid en onderlinge hulp en bijstand. Het moge zo zijn dat appellant in die kring inderdaad niet voor zijn werkzaamheden werd betaald, maar dat neemt echter niet weg dat ook dergelijke werkzaamheden, zeker als die op basis van wederkerigheid zijn verricht, op geld waardeerbaar zijn en daaraan derhalve voor de bepaling van de omvang van het recht op een WAO-uitkering betekenis niet kan worden ontzegd.

In hoger beroep is namens appellant een verklaring ingezonden van mevrouw [B. ] waarin zij stelt dat appellant in 1997 bij haar heeft geverfd en behangen en niet in 1998, zoals zij eerder tegenover de opsporingsambtenaar had verklaard. Zij had zich destijds vergist in het jaartal. Het Uwv heeft daarop in zijn verweerschrift gereageerd met de opmerking dat er nog andere gegevens zijn waaruit is af te leiden dat appellant in 1998 heeft gewerkt en dat met de nieuwe verklaring van mevrouw [B. ] slechts wordt gesuggereerd dat de uitkering nog eerder had moeten worden ingetrokken, welke suggestie overigens niet wordt gevolgd. De Raad onderschrijft ook deze opmerking van het Uwv. Voor het overige is de Raad niet gebleken dat de vier bij het rapport uitkeringsfraude gevoegde verklaringen van getuigen omtrent de door appellant bij hen verrichte werkzaamheden voor onjuist moeten worden gehouden. Uit deze verklaringen komt ook niet naar voren dat, zoals appellant in een verklaring op 13 oktober 2003 ter toelichting van de werkzaamheden bij deze getuigen heeft aangegeven, de aan appellant betaalde bedragen in hoofdzaak waren bedoeld voor een persoon, genaamd [C.], die appellant hielp en dat de betalingen voor het overige waren bedoeld ter dekking van onkosten. Deze verklaring van appellant acht de Raad dan ook niet aannemelijk.

De Raad gaat ten slotte voorbij aan het eerst aan het einde van de zitting van 20 november 2007 door appellant gedane verzoek de opsporingsfunctionaris van het Uwv te vragen naar de specificatie van appellants werkzaamheden, waarvan appellant op evenbedoelde zitting heeft gesteld dat hij die reeds in de bezwaarprocedure had overgelegd en voor zover appellant daarmee niet doelt op evenvermelde verklaring van 13 oktober 2003. Nog afgezien van het zeer late tijdstip van het doen van dit verzoek, wijst de Raad erop dat appellant desgevraagd geen nadere gegevens kon verstrekken omtrent de door hem gestelde indiening. Bovendien spoort deze beweerdelijke overlegging ook niet met de in eerdere fasen van de procedure van de zijde van appellant verkozen handelwijze met betrekking tot de door het Uwv geboden gelegenheid in de bezwaarprocedure om alsnog een dergelijke specificatie in te dienen.

Al het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat appellant niet dan wel desgevraagd in de bezwaarprocedure niet behoorlijk de verplichting ingevolge artikel 80 van de WAO is nagekomen om op verzoek van het Uwv dan wel uit eigen beweging die informatie te verstrekken waarvan het redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed kan zijn op het recht op of op de hoogte van zijn WAO-uitkering. Tevens is de Raad van oordeel dat dit verzuim er in dit geval tevens toe heeft geleid dat niet kon worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestond. De Raad overweegt in verband met dit laatste dat in het dossier, gezien de afgelegde verklaringen van enkele getuigen over de door appellant bij hen verrichte werkzaamheden, weliswaar enige, zij het in verband met de door het Uwv in aanmerking genomen periode beperkte, informatie aanwezig is over de werkzaamheden van appellant in de betreffende periode, maar dat tevens is gebleken dat appellant daarnaast ook – op geld waardeerbare - werkzaamheden verrichtte binnen zijn etnische gemeenschap in zijn woonplaats en dat over aard en omvang van die werkzaamheden van de zijde van appellant geen inzicht is verschaft, terwijl daartoe, gezien de systematiek van de WAO, alle aanleiding bestond en appellant ook bij uitstek de aangewezen persoon was om die informatie te verschaffen. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het schattenderwijs vaststellen van inkomsten uit arbeid met toepassing van artikel 44 van de WAO nog verantwoord mogelijk was geweest.

Op grond van het vorenstaande concludeert ook de Raad dat in dit geval aan de wettelijke verwaarden om toepassing te geven aan artikel 36a, eerste lid, onder d, van de WAO was voldaan, zodat het Uwv gehouden was met toepassing van dit artikellid de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1998 in te trekken. Dat het Uwv bij de toepassing van artikel 36a, eerste lid, onder d, een evenredigheidsmaatstaf zou moeten hanteren, zoals de gemachtigde van appellant heeft bepleit, volgt niet uit de betreffende bepaling. Daarbij wijst de Raad er overigens nog op dat de gemachtigde van appellant niet heeft aangegeven op welke wijze die maatstaf in casu tot uitdrukking zou moeten worden gebracht

In hoger beroep zijn nog enkele medische stukken ingezonden waaruit zou blijken dat appellant als gevolg van zijn chronische leverziekte rond de periode 1999 in het geheel niet heeft kunnen werken. Ter zitting is de vraag aan de orde gesteld of het Uwv de medische informatie niet nader had moeten bezien. Zo heeft appellant, blijkens de informatie van het Academisch Ziekenhuis in Groningen, in 2000 tot begin 2001 gedurende een jaar een kuur met Interferon en Ribavirine moeten ondergaan, middelen waarvan bekend is dat deze ingrijpende en beperkende bijwerkingen mee kunnen brengen. De Raad sluit niet uit dat appellant inderdaad in de betreffende periode dan wel een deel daarvan, in het geheel niet in staat is geweest om enige loonvormende arbeid te verrichten. De Raad onderschrijft echter tevens het standpunt van het Uwv dat nu het door de opstelling van appellant niet mogelijk is om het recht op uitkering vast te stellen, het evenmin mogelijk is om te bepalen op welk moment die uitkering zou moeten worden heropend. Daarbij wijst de Raad er op dat het door het achterwege blijven van voldoende informatie zijdens appellant ook ten aanzien van deze periode van behandeling niet goed mogelijk is de lengte, de intensiteit of de gevolgen daarvan vast te stellen. In dit verband kan er ook niet aan worden voorbijgezien dat de in hoger beroep overgelegde medische informatie geen gegevens bevat over het verloop van voormelde kuur.

Zoals uit het voorafgaande blijkt is de Raad van oordeel dat het Uwv gehouden was om de uitkering van appellant vanaf 1998 in te trekken. Voorts is de Raad, evenmin als de rechtbank, gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk hiervan of van terugvordering af te zien. De Raad merkt daarbij op dat met de financiële situatie van appellant uiteindelijk wel rekening is gehouden doordat hij slechts een beperkt bedrag per maand hoeft af te lossen.

Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt, maar dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 966,- voor verleende rechtsbijstand en € 74,- aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.684,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van de uitkeringen van appellant ingevolge de WAO en de TW, gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.684,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rotttier en E. Dijt als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Gunter.

TM