Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3449

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
07-2065 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd teveel uitbetaalde studiefinanciering. Inkomen partner niet volledig opgegeven. Juiste informatie verstrekt door IB-groep?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2065 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 maart 2007, 06/659 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 30 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is door mr. C.R.D. Kommer, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2008.

Voor appellante is verschenen mr. Kommer en voor de IB-Groep drs. P.M.S. Slagter.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is over de periode van 1 augustus 2004 tot en met 31 december 2005 studiefinanciering met een partnertoeslag toegekend op basis van een door haar partner op 10 juni 2004 ondertekend formulier waarop van januari tot en met juni 2004 een inkomen van € 952,-- per maand is ingevuld en van juli tot en met december 2004 geen inkomen is ingevuld.

1.2. Bij controle achteraf op de rechtmatigheid van de verstrekte toelage door het opvragen van inkomensgegevens bij de Belastingdienst, is komen vast te staan dat de partner gedurende de evenvermelde periode een zodanig hoog maandinkomen (aan WAO-uitkering) heeft gehad dat appellante gedurende die periode geen recht op partnertoeslag had.

1.3. Bij besluiten van 23 december 2005 is als onverschuldigd teveel aan haar uitbetaald van appellante een bedrag van € 8.685,34 teruggevorderd door middel van omzetting van dat bedrag in een kortlopende schuld welke zal worden geïnd door verrekening per 1 januari 2006 met de aan haar maandelijks toekomende studietoelage, terwijl voor het na beëindiging van de studietoelage nog resterende bedrag aan haar een acceptgiro zal worden toegezonden.

1.4. Het bezwaar van appellante tegen die besluiten is bij besluit van 29 maart 2006 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het besluit van 29 maart 2006 ongegrond verklaard.

2.2. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat aan haar ten onrechte een partnertoeslag werd toegekend, dat de IB-Groep bevoegd was tot herziening van de besluiten waarbij de partnertoeslag was toegekend en dat appellante weliswaar heeft gesteld dat zij uit bij de IB-Groep ingewonnen informatie heeft opgemaakt dat de toekenning correct was, maar dat niet is gebleken dat uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd inlichtingen zijn verstrekt die bij appellante verwachtingen hebben gewekt. Aan dat laatste heeft de rechtbank toegevoegd dat daartoe onvoldoende is het enkele feit dat appellante met medewerkers van de IB-Groep gesprekken heeft gevoerd waarvan onduidelijk is wat de inhoud of strekking daarvan is geweest. Dit klemt temeer daar die door appellante met naam genoemde medewerkers hebben verklaard dat zij zich appellante nog kunnen herinneren, dat zij niet aan haar hebben meegedeeld dat zij geen opgave behoeft te doen van de uitkering aan haar partner en dat een vanzelfsprekend deel van de basiskennis is dat een dergelijke uitkering meetelt bij de beoordeling van het recht op studiefinanciering, aldus tot slot de rechtbank.

3. In hoger beroep heeft appellante niet betwist dat het inkomen van haar partner gedurende de hiervoor vermelde periode in de weg stond aan toekenning van een partnertoeslag gedurende die periode, maar zich wederom gesteld op het door de rechtbank niet gehonoreerde standpunt dat zij te goeder trouw heeft mogen afgaan op de door twee met name genoemde medewerkers van de IB-Groep aan haar verstrekte inlichtingen waarvan achteraf is gebleken dat die onjuist zijn.

4.1. De Raad deelt dat standpunt van appellante niet om dezelfde redenen als door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigd en hiervoor vermeld. Onder de gegeven omstandigheden is niet staande te houden dat de IB-Groep bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot volledige gebruikmaking van de aan haar bij artikel 7.1 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) toegekende herzieningsbevoegdheid. Terugvordering, al dan niet door middel van verrekening, van hetgeen onverschuldigd teveel is uitbetaald, is ingevolge artikel 7.4 van de WSF 2000 voor de IB-Groep een wettelijke verplichting. De in dit geval toegepaste verrekening per januari 2006 is in overeenstemming met artikel 6.1 van de Regeling studiefinanciering 2000.

4.2. Van het bestaan van (zeer uitzonderlijke) omstandigheden op grond waarvan de IB-Groep ingevolge artikel 11.5 van de WSF 2000 de wet buiten toepassing kan laten of daarvan kan afwijken, is de Raad in dit geval niet kunnen blijken. Met het oog op de door haar gestelde nijpende financiële situatie tekent de Raad daarbij aan dat appellante de mogelijkheid had om gedurende haar studie bij te lenen en na beëindiging van haar studie voor het resterende deel van haar schuld de mogelijkheid had/heeft om draagkrachtmeting aan te vragen.

5.1. Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.W.A. Schimmel.

DK