Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3433

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
04-6634 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mening van de deskundige wijkt af ten aanzien van psychische beperkingen en urenbeperking. Bij nadere besluitvorming moet ook de mogelijke renteschade betrokken worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6634 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 oktober 2004, 04/353 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft psychiater A.M.A. Groot, verbonden aan Amacura te Geleen, bij rapport van 23 november 2007 van verslag en advies gediend aangaande enige omtrent de gezondheidstoestand van appellant en zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten gerezen vragen.

Het Uwv heeft door inzending van een rapport van 21 december 2007 van de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen en een rapport van 17 maart 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Leentjens hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, in rubriek II van de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad vermeldt hier bij wijze van samenvatting dat appellant bekend is met een uitgebreide medische voorgeschiedenis die teruggaat tot zijn geboorte op 16 mei 1963, dat appellant in WSW-dienstverbanden werkzaam is geweest, al dan niet onderbroken door periodes dat hij uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving, waarbij hij volledig arbeidsongeschikt werd geacht dan wel waarbij de mate van zijn arbeidsongeschiktheid werd gesteld op 45 tot 55%. Het laatste WSW-dienstverband werd op 17 augustus 1992 beëindigd, omdat appellant niet goed zou functioneren en er geen ander passend alternatief was. Appellant ontving sindsdien onveranderd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% WAO-uitkering, ook in de situatie dat hij per

1 januari 1996 als zelfstandige een bedrijf had. De inkomsten hieruit hebben nimmer aanleiding gegeven tot herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid of tot toepassing van korting. Het bedrijf van appellant werd op 12 augustus 2000 failliet verklaard. Vanaf 1 augustus 2001 heeft appellant wegens ziekte geen werkzaamheden meer verricht. Daarop heeft een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant plaatsgevonden. Deze heeft geleid tot het besluit van 29 augustus 2003 van het Uwv, waarbij de WAO-uitkering van appellant is ingetrokken per 30 oktober 2003. Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 19 februari 2004 heeft het Uwv de intrekking van de WAO-uitkering gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit berust op een juiste, althans toereikende, medische grondslag en dat de arbeidskundige grondslag van de schatting voldoende deugdelijk is onderbouwd.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen dit oordeel en in het bijzonder gewezen op de van zijn huisarts en behandelend psychiater al in het kader van de besluitvorming door het Uwv ontvangen inlichtingen. Daaraan valt te ontlenen dat de psychische problemen van appellant hem verhinderen gedurende hele dagen loonvormende arbeid te verrichten. Voorts heeft appellant doen aanvoeren dat de geduide functies niet geschikt zijn, mede gelet op de uitspraak van 9 november 2004

(RSV 2004/351) van de Raad met betrekking tot de eisen die aan de verslaglegging en motivering van een arbeidsongeschiktheidsschatting worden gesteld. Het Uwv heeft hierin geen aanleiding gezien het bestreden besluit niet te handhaven.

3.2. De Raad heeft voldoende termen aanwezig geacht om zich omtrent de gezondheidstoestand van appellant en de bij hem bestaande arbeidsmogelijkheden ten tijde hier in geding te laten voorlichten. Bij het in rubriek I vermelde rapport is de als deskundige geraadpleegde psychiater A.M.A. Groot onder meer tot de conclusie gekomen dat hij zich niet kan verenigen met de door de verzekeringsarts bij appellant aanvaarde psychische beperkingen en dat hij met betrekking tot de werktijden van appellant een urenbeperking tot maximaal vier uur per dag in de ochtend noodzakelijk acht.

4.1. De Raad volgt deze conclusies gelet op de daaraan door de deskundige Groot gegeven motivering in zijn rapport die voor de Raad inzichtelijk tot die conclusies leidt. Hetgeen van de zijde van het Uwv hier tegenin is gebracht leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts Tjen heeft in zijn reactie op het rapport van de deskundige Groot in zijn rapport van 21 december 2007 samenvattend geconcludeerd dat de beperkte belastbaarheid zoals weergegeven in de functionele mogelijkhedenlijst voldoende tegemoet komt aan de kwalitatieve inschatting van de belastbaarheid door de deskundige Groot en dat er geen medisch valide argumentatie is te geven voor een urenbeperking, maar dat een urenbeperking eerder gecontraindiceerd is.

4.3 Met betrekking tot de door de deskundige Groot gestelde arbeidsurenbeperking overweegt de Raad dat die mede is gebaseerd op de eigen waarneming van de deskundige tijdens het ongeveer drie uur durende onderzoek, waarbij appellant als het ware leegloopt en aan het einde van het contact wegzakt, hetgeen de deskundige voor deze onderzoekssituatie niet normaal acht. Daaraan voegt de Raad toe dat de aan de rechtsvoorgangers van het Uwv verbonden verzekeringsartsen vanwege de bij appellant bestaande psychische problematiek (die nog steeds aanwezig is), over een lange periode in het verleden een urenbeperking tot vier uur per dag als zijnde maximaal hebben aanvaard. Daarbij is door die verzekeringsartsen tevens aangegeven dat sprake moet zijn van stressarme arbeid. Ook wijst de Raad er op dat appellant thans werkzaamheden verricht op een zorgboerderij gedurende maximaal vier uur per dag, hetgeen de deskundige Groot ook passend voor hem acht. Mede in het licht van de omstandigheid dat appellant hoofdzakelijk in deeltijd in WSW-arbeid werkzaam is geweest totdat hij aan de daaraan gestelde eisen niet langer kon voldoen en het nadien door hem opgezette bedrijf geen tot korting of verlaging van zijn WAO-uitkering leidende inkomsten heeft opgeleverd en in een faillissement is geëindigd, waarbij de deskundige Groot aantekent dat het bedrijf door de compagnon van appellant werd gedreven en dat dit voor hem eigenlijk veel te hoog gegrepen was, is de Raad van oordeel dat de door de deskundige Groot noodzakelijk geachte arbeidsurenbeperking tot vier uur per dag in de ochtend gevolgd kan worden.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit geen stand houdt. Bij de functieduiding is geen rekening gehouden met een arbeidsurenbeperking als hiervoor nader omschreven, zodat de schatting op een ondeugdelijke medische en arbeidskundige grondslag rust. De aangevallen uitspraak waarbij het besluit in stand is gelaten, komt om die reden eveneens voor vernietiging in aanmerking.

5. Het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de geleden renteschade. Het Uwv zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden. Indien het Uwv mocht besluiten af te zien van een nieuw besluit op bezwaar, zal het Uwv ter zake een zelfstandig (schade)besluit dienen te nemen.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verstaat dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van €139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

SSw