Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
06-4220 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4220 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juni 2006, 05/7994 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Lucardie, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2008. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaff.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is per 10 september 2003 werkzaamheden gaan verrichten als inpakker bij een postbedrijf. Op 21 november 2003 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens longklachten.

1.2. Bij besluit van 5 januari 2005 heeft het Uwv geweigerd aan appellant per 19 november 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat appellant op grond van artikel 18, tweede lid, van de WAO niet als arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd.

2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich - kort weergegeven - kunnen verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd - kort weergegeven - dat er niet voldoende indicaties aanwezig waren voor het bestaan van arbeidsongeschiktheid bij aanvang van zijn verzekering ingevolge de WAO, dat zijn belastbaarheid sinds 10 september 2003 is afgenomen als gevolg van duizelingen en trillende handen en dat hij door zijn klachten de hem door het Uwv geduide functies niet kan verrichten.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De Raad stelt vast dat het Uwv bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling, in het kader waarvan een Functionele mogelijkheden lijst (FML) is opgesteld, de belastbaarheid van appellant heeft beoordeeld zowel per einde van de wachttijd als per datum van aanvang van appellants verzekering ingevolge de WAO op 10 september 2003. De Raad heeft voorts vastgesteld dat het Uwv in het kader van de arbeidskundige beoordeling aan appellant functies heeft voorgehouden die hij zou kunnen verrichten, zowel per einde van de wachttijd als per datum van aanvang van appellants verzekering ingevolge de WAO.

5.2. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen over de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. In hoger beroep heeft appellant geen nadere medische stukken in geding gebracht. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.D.F. de Moor.

JL