Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
09-06-2008
Zaaknummer
06-4823 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanstelling. Geen vast dienstverband of verlenging van tijdelijke aanstelling. Niet voldaan aan de eisen van de functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4823 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2006, 05/2393 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 22 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2008. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.drs. E.A.A. Charry, advocaat te Amsterdam. Het college is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende, hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is met ingang van 2 september 2002 aangesteld als tramconducteur bij het GVB in tijdelijke dienst bij wijze van proef voor de duur van een jaar. Na een tweetal beoordelingen is deze proeftijdaanstelling bij besluit van 31 juli 2003 voor een jaar verlengd tot 2 september 2004, om reden dat in verband met langdurig ziekteverzuim in onvoldoende mate kon worden vastgesteld of appellante de geschiktheid bezat voor de functie van conducteur.

1.2. Op 29 maart 2004 is appellante wederom beoordeeld. Naar aanleiding van een klacht van appellante over het beoordelingsgesprek, heeft op 24 mei 2004 een nieuw beoor-delingsgesprek plaatsgevonden. Uit het beoordelingsformulier van 24 mei 2004 blijkt dat appellante op zes beoordelingsaspecten is beoordeeld met D (voldeed aan de eisen) en op vijf aspecten met C (voldeed nog niet aan de eisen). Aan het eind van het gesprek is appellante meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een aanstelling in vaste dienst en dat haar tijdelijke aanstelling op 2 september 2004 beëindigd gaat worden. Appellante, die ziek was maar per 5 juni 2004 weer hersteld was, is op “voorlopig ontslag” gezet tot 2 september 2004 en heeft sinds haar herstel niet meer gewerkt. Appellante heeft in deze laatste besluiten berust.

1.3. Bij besluit van 23 juni 2004 heeft het college appellante bericht dat haar tijdelijke aanstelling eindigt per 2 september 2004 en niet wordt verlengd of omgezet in een vaste aanstelling.

Namens appellante is bij schrijven van 13 juli 2004, ontvangen op 9 augustus 2004, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 juni 2004. Dit bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 6 april 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen het college te kunnen volgen in het standpunt dat er onvoldoende basis was voor een zorgvuldige beoordeling van het functioneren van appellante, omdat zij in de beoordelingsperiode minder dan de helft van het aantal te werken dagen heeft gewerkt. De rechtbank heeft voorts het standpunt van het college gevolgd dat appellante in de periode waarin zij haar werk wel verrichtte niet aan de eisen voldeed en dat appellante haar stelling dat zij daaraan wel voldeed, niet heeft onderbouwd.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij wel voldoende dagen heeft gewerkt om haar functioneren te beoordelen. Voorts heeft appellante aangevoerd dat aan de waarde van de beoordeling getwijfeld moet worden omdat zij een conflict had met de beoordelaar, de assistentlijnmanager L., zodat het onzorgvuldig was dat hij de enige beoordelaar was.

4. De Raad stelt vast dat uit de beoordeling van 24 mei 2004 blijkt dat het functioneren van appellante op de aspecten II A: begrip, inzicht, vindingrijkheid, IV A: contacten met collega’s, IV B: contacten met chefs, V B: regelmaat en VI: houding ten opzichte van zaken, nog niet aan de eisen voldeed.

Appellante heeft geen bezwaarschrift ingediend tegen deze beoordeling, zodat deze rechtens onaantastbaar is geworden en van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Gevraagd naar de reden waarom zij geen bezwaar heeft gemaakt heeft appellante bij de hoorzitting op 7 februari 2005 in verband met haar bezwaar tegen het ontslagbesluit, gezegd dat zij de vakorganisatie ABGP had gebeld, maar dat daar was gezegd dat ze niets voor haar konden doen.

4.1. De Raad overweegt dat hij in het midden kan en zal laten of appellante in de beoor-delingsperiode voldoende dagen heeft gewerkt om een beoordeling op te baseren en of de beoordeling als onzorgvuldig moet worden aangemerkt. Appellante had die bezwaren immers naar voren kunnen en moeten brengen in een tegen de beoordeling in te dienen bezwaarschrift. Nu zij dat niet tijdig heeft gedaan kunnen die bezwaren niet meer aan de orde komen in de ontslagprocedure.

Uitgaande van de juistheid van de beoordeling van 24 mei 2004 waarin haar functioneren op een vijftal punten als nog niet voldoende is beoordeeld, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellantes functioneren nog niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Het college heeft daarom in redelijkheid kunnen komen tot het besluit de tijdelijke aanstelling wegens proeftijd niet om te zetten in een vast dienstverband of anderszins te verlengen, nu ervan moet worden uitgegaan dat appellante in de proeftijd niet heeft laten zien dat zij de geschiktheid bezit voor de functie van conducteur.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.G. Treffers en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD

22.04