Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
09-06-2008
Zaaknummer
06-5870 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitengewoon verlof tijdens onderzoek inzake integriteit. Geen onrechtmatig besluit. Geen schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/3
ABkort 2008/271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5870 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven van [betrokkene] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 augustus 2006, 05/2033 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn (hierna: college)

Datum uitspraak: 22 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2008. Van appellanten is verschenen [naam weduwe van betrokkene], weduwe van [betrokkene], wonende te [woonplaats]. Zij heeft zich laten bijstaan door mr. A.C. Dekker, advocaat te Hoorn. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.R.M. Koopman, werkzaam bij de gemeente Hoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de Raad de volgende feiten als vaststaande aan.

1.1. Wijlen [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) was werkzaam bij de gemeente Hoorn als toezichthouder bij het Ingenieursbedrijf van de sector Ruimte.

1.2. Bij besluit van 24 maart 2003 is [betrokkene] met onmiddellijke ingang tot 14 april 2003 buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend. De directe aanleiding van dit besluit was een tussen [betrokkene] en zijn leidinggevende gerezen conflict. Tegen dit besluit heeft [betrokkene] geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Op 14 april 2003 heeft de loco-secretaris van de gemeente Hoorn in een gesprek aan [betrokkene] meegedeeld dat volgens signalen een aantal ambtenaren van de gemeente Hoorn verdacht wordt van niet integer gedrag en dat [betrokkene] een van hen is. Dit gesprek is uitgemond in een besluit van 14 april 2003. Hierbij is [betrokkene] met ingang van die datum tot een nader te bepalen datum buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend, hangende het onderzoek naar de gestelde verdenkingen. Ook tegen dit besluit is [betrokkene] niet opgekomen.

1.4. In een gesprek op 6 april 2004 is [betrokkene] meegedeeld dat uit het verrichte onderzoek over hem niets negatiefs naar voren is gekomen en dat over zijn werkhervatting afspraken gemaakt moeten worden. Het aan [betrokkene] bij besluit van 14 april 2003 verleende buitengewoon verlof is met ingang van 27 juli 2004 opgeheven. [betrokkene] is aansluitend in eerste instantie part time aan het werk gegaan. Ziekte van [betrokkene] heeft aan de beoogde volledige werkhervatting in de weg gestaan. Op 18 januari 2005 is [betrokkene] overleden.

1.5. In een brief van 7 oktober 2004 had het college aan [betrokkene] mededeling gedaan van de voor hem positieve uitkomsten van het integriteitonderzoek. Deze brief eindigt met de volgende woorden:

“Wij realiseren ons dat de lange duur van het onderzoek voor u in het bijzonder als ook voor uw gezin, heel belastend is geweest. Wij betreuren dat ten zeerste, maar merken daarbij op dat wij gelet op de ernst van de beschuldigingen jegens een aantal van onze ambtenaren niet anders konden dan een diepgaand onderzoek laten instellen.”

1.6. Bij brief van 28 december 2004 is namens [betrokkene] aan het college verzocht een zelfstandig schadebesluit te nemen betreffende achteraf gebleken onrechtmatigheid van het aan [betrokkene] verleende buitengewoon verlof. Gevorderd is een bedrag van € 10.000,- wegens materiële schade wegens kosten van (kort gezegd) rechtsbijstand en een bedrag van € 12.500,- wegens immateriële schade.

1.7. Dit verzoek heeft het college afgewezen bij besluit van 14 februari 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juli 2005 (hierna: bestreden besluit). Het bestreden besluit heeft als kern dat, nu [betrokkene] tegen de besluiten van 24 maart 2003 en 14 april 2003 geen bezwaar heeft gemaakt, deze besluiten in rechte vaststaan en niet als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt; daarom ligt in het bestuursrecht geen grond om in de vorm van een zogenoemd zuiver schadebesluit tot schadevergoeding over te gaan. Wel heeft het college het advies van de Hoor- en Adviescommissie Bezwaarschriften gevolgd om aan de erven uit coulance de helft van de kosten van rechtsbijstand te vergoeden tot een maximum van € 2.000,-.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten de gronden van het beroep in essentie herhaald. Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het gaat appellanten om gestelde schade van [betrokkene] in verband met het buiten-gewoon verlof dat hem wegens het (ook) tegen hem ingestelde integriteitonderzoek is verleend. De lange duur van dit verlof, de spanningen die dit onderzoek bij hem heeft opgeroepen én de achteraf gebleken onterechte verdenking tegen hem, vormen de feitelijke grondslag van het verzoek om schadevergoeding. Dit betekent dat in dit geding alleen schade als gevolg van het besluit van 14 april 2003 aan de orde is. Het college heeft dit in het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit in primo ook zo begrepen. De rechtbank heeft echter ten onrechte tussen het besluit van 24 maart 2003 en 14 april 2003 geen onderscheid gemaakt.

4.2. Het onbetwiste feit dat [betrokkene] destijds tegen het besluit van 14 april 2003 geen rechtsmiddelen heeft aangewend, betekent volgens vaste rechtspraak van de Raad (zoals deze tot uiting komt in de aan partijen bekende uitspraak van 6 april 2000, LJN ZB8772 en JB 2000, 126) dat in beginsel uitgegaan moet worden van de rechtmatigheid van het besluit van 14 april 2003 en van de daaruit, volgens appellanten, voortgekomen handelingen. Dit lijdt, aldus de bedoelde rechtspraak, alleen dan uitzondering, wanneer het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van het besluit zou hebben erkend dan wel wanneer sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden, waarbij te denken valt aan de situatie dat het betrokkene niet kan worden tegengeworpen dat hij terzake geen rechtsmiddelen heeft aangewend.

4.3. De Raad is van oordeel dat het college de onrechtmatigheid van het besluit van 14 april 2003 niet heeft erkend. In het bijzonder ligt in de brief van 7 oktober 2005, gezien de onder 1.5 aangehaalde passage, een dergelijke erkenning niet besloten. Voorts acht de Raad van bijzondere omstandigheden in de zin van de hierboven genoemde rechtspraak in dit geval niet gebleken. De stelling van appellanten die is ontleend aan de uitspraken van de Hoge Raad van 14 januari 2005, LJN AR1522 en NJ 2005/346, en aan het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008, LJN BC0256, dat achteraf gezien gezegd zou kunnen worden dat het besluit van 14 april 2003 onrechtmatig is, rechtvaardigt, wat daarvan ook zij, reeds uitgaande van de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake schadevergoeding, het aannemen van zulke bijzondere omstandigheden niet.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.G. Treffers en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD

23.05.

Q