Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3378

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
09-06-2008
Zaaknummer
06-5944 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Advies bedrijfsarts. Relatie tussen nevenwerkzaamheden en hoog ziekteverzuim. De goede vervulling van de ambtelijke functie is niet in redelijkheid verzekerd.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 61
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/4
ABkort 2008/272
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5944 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Justitie (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 september 2006, 05/4458 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 29 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. in ’t Veen, mr. S. de Gans en J.W. Neerhof, allen werkzaam bij het ministerie van Justitie. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E. Hunneman, advocaat te Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene is sinds oktober 1994 voor de volledige arbeidstijd in dienst bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het ministerie van Justitie, ten tijde hier van belang in de functie van medewerker Dublin bij de Regionale directie Midden.

Op 9 augustus 2004 is betrokkene tevens in dienst getreden bij [naam besloten vennootschap], gevestigd te Nijmegen, in de functie van supervisor telemarketing, blijkens de arbeidsovereenkomst voor 640 uur op jaarbasis.

1.2. De nevenwerkzaamheden van betrokkene zijn ter sprake gekomen bij een bezoek van betrokkene aan de bedrijfsarts op 3 november 2004 in verband met zijn arbeidsongeschiktheid. De bedrijfsarts heeft betrokkene geadviseerd op korte termijn een keuze te maken, omdat een duobaan te belastend voor hem is.

1.3. Medio november 2004 heeft betrokkene op het zogeheten meldings- tevens registratieformulier Nevenwerkzaamheden aan appellant mededeling gedaan van de door hem volgens zijn opgave gedurende 9 uur per week verrichte nevenwerkzaamheden bij [de besloten vennootschap].

1.4. Bij besluit van 3 december 2004, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 september 2005, heeft appellant betrokkene verboden de werkzaamheden bij [de besloten vennootschap] te verrichten. Daartoe is overwogen, kort gezegd, dat betrokkene, gelet op zijn hoge ziekteverzuim, niet in staat is zijn werkzaamheden met de benodigde continuïteit te verrichten en dat blijkens het door de bedrijfsarts gegeven advies een verband bestaat tussen de nevenwerkzaamheden en het ziekteverzuim.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 27 september 2005 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, met voorts bepalingen over de proceskosten en het griffierecht. Volgens de rechtbank mogen nevenwerkzaamheden worden verboden, indien de combinatie van beide functies leidt tot een lichamelijke of psychische overbelasting en tot ziekteverzuim. In een dergelijk geval is het volgens de rechtbank wel noodzakelijk dat het vereiste causale verband tussen de combinatie van activiteiten en het ziekteverzuim aannemelijk wordt gemaakt, hetgeen volgens de rechtbank in dit geval door appellant niet was gedaan. De rechtbank achtte de verklaring van de bedrijfsarts daarvoor onvoldoende. Daarom heeft de rechtbank het besluit van 27 september 2005 in strijd geacht met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 61, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is de ambtenaar verplicht aan de minister, op een door de minister te bepalen wijze, opgave te doen van nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling kunnen raken. Op grond van het derde lid van deze bepaling is het de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels omtrent dit verbod worden gesteld. De minister heeft dit gedaan in de Regeling nevenwerkzaamheden van 30 december 1998 (hierna: Regeling). In de Regeling zijn enige aandachtspunten beschreven aan de hand waarvan de ambtenaar kan bepalen of de nevenwerkzaamheden die hij van plan is te gaan verrichten of al verricht, zijn verboden. Een van deze aandachtspunten is de zwaarte/omvang van de nevenwerkzaamheden.

3.2. Anders dan de rechtbank deelt de Raad het standpunt van appellant dat deze heeft mogen afgaan op het advies van de bedrijfsarts van 3 november 2004, inhoudende dat een duobaan naar zijn oordeel te belastend is voor betrokkene. Daarbij acht de Raad van belang dat deze opvatting van de bedrijfsarts ondersteund wordt door de omstandigheid dat blijkens het overzicht van arbeidsongeschiktheidsperiodes over het jaar 2004 bij betrokkene sprake is van een hoog kortdurend ziekteverzuim. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat de nevenwerkzaamheden, die door betrokkene naast de in psychisch opzicht belastende functie bij de IND werden uitgevoerd, een substantiële belasting inhielden, doordat hij op drie avonden in de week en op zaterdagochtend bij [de besloten vennootschap] placht te werken. Betrokkene heeft zijn standpunt dat geen sprake is van overbelasting niet met bijvoorbeeld medische verklaringen nader geadstrueerd. Onder deze omstandigheden heeft appellant zich met recht op het standpunt gesteld dat het hier gaat om het verrichten van nevenwerkzaamheden waardoor de goede vervulling van de ambtelijke functie door betrokkene niet in redelijkheid is verzekerd.

3.3. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 27 september 2005 op goede gronden is genomen, zodat dit besluit ten onrechte door de rechtbank is vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaren.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 september 2005 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.G. Treffers en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) K. Moaddine.

HD

22.05