Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3345

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
07/3076 WW, 07/3334 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbare werkloosheid. Ontslag wegens onvoldoende functioneren. Weigering om opleiding te voltooien. Voldoende studiefaciliteiten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3076 WW

07/3334 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene] (appellant 1, hierna: betrokkene),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant 2, hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 april 2007, 06/2822 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 14 mei 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. Y. van der Linden, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en eveneens hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft met verweer op het hoger beroep van het Uwv gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2008. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C.L. Schuren, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Nadat betrokkene eerst als uitzendkracht bij de [naam werkgever] (hierna: werkgever) werkzaam is geweest, is hij met ingang van 12 november 2001 bij zijn werkgever als meewerkend voorman I van de divisie cultuur- en bouwtechniek in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op een daartoe strekkend verzoekschrift van de werkgever heeft de kantonrechter bij beschikking van 19 september 2005 de arbeidsovereenkomst met betrokkene per 19 oktober 2005 ontbonden. Aan betrokkene is geen vergoeding toegekend.

2.2. Vervolgens heeft betrokkene een aanvraag voor een uitkering ingevolge de WW ingediend. Bij besluit van 6 december 2005 heeft het Uwv de uitkering per 19 oktober 2005 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd op de grond dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden, omdat hij is ontslagen in verband met onvoldoende functioneren en een weigerachtige houding om hierin verbetering aan te brengen. Hierdoor heeft hij zich bij zijn werkgever zodanig gedragen dat hij kon weten dat ontslag zou volgen. Bij het bestreden besluit van 3 mei 2006 heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich, in het voetspoor van de kantonrechter, op het standpunt gesteld dat betrokkene de ontbinding van de arbeidsovereenkomst over zichzelf heeft afgeroepen, gelet op zijn gedragingen in het kader van de (niet weersproken) verplichting om de opleiding “aankomend hovenier” te volgen en af te ronden. Daarbij wordt betrokkene verweten dat hij die opleiding zonder toestemming heeft afgebroken en dat hij zich niet onvoorwaardelijk bereid heeft verklaard de opleiding weer op te pakken en af te ronden.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Daartoe is overwogen dat het Uwv zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant zich door zijn weigering om de opleiding “aankomend hovenier” te voltooien verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. De rechtbank heeft het bestreden besluit evenwel vernietigd wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het Uwv niet heeft gemotiveerd waarom er, anders dan betrokkene in bezwaar heeft aangevoerd, geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid of van een matigingsgrond.

4.1. Betrokkene heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden en zijn standpunt gehandhaafd dat hij niet verwijtbaar werkloos is. Hij acht het door het Uwv verrichte onderzoek onzorgvuldig omdat daarbij niet is betrokken dat hij wel andere opleidingen heeft gevolgd in zijn vrije tijd en dat hij geen herkansingsmogelijkheden had bij de opleiding aankomend hovenier om via een herexamen in de twee (van de negen) vakken waarvoor hij een onvoldoende had behaald, alsnog te slagen. Betrokkene zou wel bereid zijn de opleiding opnieuw te gaan volgen zodra hij wat meer tijd had. Subsidiair heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat in ieder geval sprake is van verminderde verwijtbaarheid, nu de gevolgen (geen werk, slecht arbeidsmarktperspectief, geen uitkering) voor hem zeer groot zijn.

4.2. Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat betrokkene zowel in bezwaar als in beroep geen argumenten heeft genoemd die tot de conclusie zouden moeten leiden dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

5.1. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt het volgende.

5.2. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat, indien een werknemer de hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, opgelegde verplichting niet is nagekomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

5.3. Op basis van de gedingstukken, waaronder de beschrijving van de functie meewerkend voorman I, de rapportage indiensttreding van betrokkene en het door betrokkene mede ondertekende opleidingscontract van 9 juli 2003, stelt de Raad vast dat de opleiding aankomend hovenier voor de uitoefening van de functie meewerkend voorman I door de werkgever noodzakelijk werd geacht en dat betrokkene zich heeft verbonden tot het volgen van die opleiding. Dat een hiertoe strekkende voorwaarde niet in de arbeidsovereenkomst met betrokkene zelf maar in een afzonderlijk stuk is opgenomen, kan aan de verplichting van betrokkene om die opleiding te volgen niet afdoen. Hoewel betrokkene in september 2003 met die opleiding een aanvang heeft gemaakt, heeft hij deze niet voltooid omdat hij twee van de negen vakken niet heeft gehaald. Betrokkene is mondeling en schriftelijk door de werkgever meermalen gewezen op het belang van het voltooien van de opleiding en op de mogelijke gevolgen van het niet voortzetten daarvan. Desondanks is betrokkene niet bereid gebleken de opleiding in de avonduren af te ronden, omdat hij daartoe in verband met de zorg voor zijn paarden wegens tijdgebrek niet in staat zou zijn. Dat betrokkene wel bereid zou zijn de opleiding overdag te vervolgen of op het moment dat hij daarvoor weer meer tijd zou hebben, kan er niet toe leiden dat het hem niet kan worden verweten dat hij de opleiding niet heeft afgerond. De grieven van betrokkene dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat hij wel andere opleidingen heeft gevolgd en dat hij steeds goed heeft gefunctioneerd, kunnen evenmin slagen, nu met die andere opleidingen niet wordt voldaan aan de gestelde functie-eisen, terwijl ook op het functioneren van betrokkene door de werkgever kritiek is geuit. De Raad wijst in dit verband ook nog op de brief van de werkgever aan betrokkene van 11 mei 2005, waarin betrokkene is verzocht om de werkgever uiterlijk 1 juni 2005 schriftelijk te berichten wat zijn opstelling is inzake het volgen van de vakgerichte opleidingen aankomend en vakbekwaam hovenier en waarin betrokkene er met nadruk op is gewezen dat hij door zijn opstelling zijn positie in de organisatie ernstig in gevaar heeft gebracht. Betrokkene heeft niet gereageerd op deze brief. Mitsdien is de Raad met de rechtbank van oordeel dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden doordat hij redelijkerwijs heeft kunnen voorzien dat zijn gedrag tot beëindiging van zijn dienstbetrekking zou kunnen leiden.

5.4. Naar aanleiding van hetgeen het Uwv in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot het oordeel van de rechtbank dat in het bestreden besluit niet is gemotiveerd waarom geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid of van een matigingsgrond overweegt de Raad het volgende. Nu ook het Uwv ter zitting heeft erkend dat het bestreden besluit op dit onderdeel een deugdelijke motivering ontbeert, onderschrijft de Raad het terzake gegeven oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep van het Uwv kan dan ook niet slagen.

5.5. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover daarin is overwogen dat van verminderde verwijtbaarheid niet is gebleken, in stand kunnen blijven.

De door betrokkene aangevoerde reden dat hij in verband met de zorg voor zijn paarden niet in staat zou zijn de opleiding in de avonduren voort te zetten, acht de Raad daartoe onvoldoende nu betrokkene reeds tot aankoop van de paarden was overgegaan voordat hij met de opleiding begon. Evenmin kan het argument dat betrokkene ten aanzien van de tijdsbesteding onvoldoende studiefaciliteiten kreeg, stand houden nu hij tevoren wist dat het een avondopleiding betrof gedurende twee avonden per week en dat hij op basis van het opleidingscontract, dat dateert van ongeveer anderhalf jaar nadat betrokkene in vaste dienst is getreden, aanspraak kon maken op studie-faciliteiten. Het heeft weliswaar geruime tijd geduurd voordat betrokkene daadwerkelijk is aangemeld voor de opleiding tot aankomend hovenier, maar daaruit kan naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat aan het belang van het behalen van die opleiding voor het vervullen van de functie meewerkend voorman I getwijfeld moet worden. Op grond van de stukken kan niet worden gezegd dat de werkgever op enig moment de indruk heeft laten ontstaan dat hij er geen belang (meer) aan hechtte dat betrokkene die opleiding met succes zou afronden. Ook de op grond van het reglement voor het examen aankomend hovenier bestaande mogelijkheid om de opleiding (al dan niet elders) voort te zetten met vrijstelling voor de behaalde onderdelen, heeft betrokkene naar het oordeel van de Raad onvoldoende onderzocht of benut. In het geheel van de omstandigheden ziet de Raad dan ook onvoldoende grond om tot het oordeel te kunnen komen dat het niet nakomen van de verplichting om te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven en dat het Uwv de werkloosheidsuitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd.

5.6. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat ook het hoger beroep van betrokkene niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd behoudens de daarbij gegeven opdracht om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens de daarbij gegeven opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.J.A. Reinders.

BvW