Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3228

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
07-4591 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2007:BA8541, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning Wazo-uitkering. Hoogte dagloon.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 15, geldigheid: 2008-04-23
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen 11, geldigheid: 2008-04-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/228
RSV 2008, 231

Uitspraak

07/ 4591 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van rechtbank Zwolle - Lelystad van 28 juni 2007 , 07/223 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 23 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. Faber – Speksnijder, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Faber – Speksnijder, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene is op basis van een nul-uren contract als afroepmedewerkster werkzaam bij de [werkgever] te [vestigingsplaats]. Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet Arbeid en Zorg (Wazo) in verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof is bij besluit van 3 oktober 2006 aan betrokkene met ingang van 25 september 2006 een uitkering krachtens de Wazo toegekend, welke is berekend naar een dagloon van € 2,91. Appellant heeft bij besluit van 12 januari 2007 de bezwaren ongegrond verklaard. Op de zitting van de rechtbank van 6 juni 2007 heeft appellant de rechtbank evenwel verzocht het besluit van 12 januari 2007 te lezen als ware het dagloon vastgesteld op € 3,28.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 12 januari 2007 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de inkomsten van betrokkene in de maand augustus 2006 beduidend lager zijn dan haar gemiddelde inkomsten in het refertejaar bij toepassing van de hoofdregel van artikel 15, eerste lid, van de Ziektewet (ZW). Ingevolge artikel 11 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit) dient de hoogte van het dagloon, in afwijking van artikel 15 ZW, te worden berekend op grond van het aangiftetijdvak van de maand augustus in plaats van vorenbedoelde refertejaar. Toepassing van de afwijkende regeling van artikel 11 van het Besluit heeft geleid tot een beduidend lager dagloon dan met toepassing van de hoofdregel van artikel 15, eerste lid, van de ZW zou zijn bereikt. De rechtbank is dientengevolge van oordeel dat toepassing van artikel 11 van het Besluit in het onderhavige geval een onaanvaardbare afwijking geeft van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de ZW en de grenzen van de afwijkingsbevoegdheid in het tweede lid van dit artikel - gelet op de bedoeling van die bevoegdheid - overschrijdt. Artikel 11 van het Besluit dient in het onderhavige geval buiten toepassing te blijven en de hoofdregel van het eerste lid van artikel 15 van de ZW dient te worden toegepast.

Appellant kan zich niet vinden in het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen en heeft dienaangaande het volgende aangevoerd.

“Met de komst van de wet Walvis heeft een al langer levend besef, dat vereenvoudiging van de dagloonregels noodzakelijk was, gestalte gekregen.

De met deze wet beoogde vereenvoudiging heeft geleid tot een nieuwe dagloonregeling met de volgende uitgangspunten:

• de loonelementen voor het dagloon zijn gelijk aan het loon waarover de premies worden geheven;

• het dagloon wordt gebaseerd op het in een referteperiode genoten loon (historisch dagloon);

• voor de verschillende wetten gelden zo uniform mogelijke regels en

• de daglonen worden vastgesteld aan de hand van feitelijk vast te stellen, objectieve gegevens.

Blijkens hoofdstuk 1 van de nota van toelichting op het besluit dagloonregels maken deze uitgangspunten het niet alleen mogelijk de daglonen vast te stellen aan de hand van gegevens die binnen de uitvoering al beschikbaar zijn voor de vaststelling van de premies maar leidt een uitwerking van de dagloonregeling aan de hand van deze uitgangspunten bovendien tot eenvoud en uniformiteit. Men was zicht terdege bewust van het feit dat deze nieuwe uitgangspunten gevolgen zouden kunnen hebben voor de hoogte van de uitkering. Vergelijk onderstaande citaten uit de parlementaire stukken:

"Vereenvoudiging van de dagloonsystematiek betekent dat de regels algemener worden. Ten opzichte van de huidige systematiek zullen derhalve gevolgen voor de hoogte van (nieuwe) uitkeringen optreden. Het streven is wel deze gevolgen zo gering mogelijk te houden maar het is onmogelijk om de dagloonsystematiek te vereenvoudigen zonder dat dit gevolgen zal hebben voor (de hoogte van ) de uitkeringen in vergelijking met de huidige situatie. Deze gevolgen kunnen zowel positief als negatief ten opzichte van ongewijzigd beleid uitpakken. De uitkeringen hoeven derhalve niet perse lager te worden. Zij kunnen ook hoger of gelijk blijven." (kamerstuk 28 219, nr. 3 blz. 60)

"De noodzakelijke subjectieve beoordeling zijn een gevolg van het huidige prospectieve karakter van het dagloon. Het dagloon is gebaseerd op hetgeen de werknemer in de toekomst zou kunnen verdienen. Afwijkingen van het normale arbeidspatroon, waarvan niet vaststaat dat deze zich ook in de toekomst zullen voordoen, kan men daarom niet laten meewegen in de maatstaf voor het dagloon (het loon dat in de toekomst zou kunnen worden verdiend). In dit wetsvoorstel wordt de keus gemaakt voor equivalentie tussen premieloon en uitkeringsloon, alsmede voor een historisch dagloon. Als gevolg daarvan wordt het dagloon in de nieuwe systematiek gebaseerd op het loon dat in een periode in het verleden (de referteperiode) feitelijk is verdiend en waarover tevens premie is betaald." (kamerstuk 28 219, nr. 3 blz. 76).

Het is tegen deze achtergrond dat artikel 11 van het besluit dagloonregels tot stand is gekomen. De hoofdregel voor de dagloonberekening, zoals neergelegd in artikel 15, eerste lid ZW, maakt de betekenis van de garantie ex artikel 29b ZW voor de werkgever immers onzeker. In de Nota van toelichting wordt dat nader toegelicht: als de werknemer tijdens het refertejaar bij werkgever in dienst trad dan hangt het dagloon mede af van wat betrokkene v??r die indiensttreding aan loon heeft genoten. De uitkering zal dan veelal (veel) lager zijn dan dat de civielrechtelijke verplichting van werkgever tot doorbetaling van het loon bedraagt. Er is daarom voor gekozen het dagloon te baseren op het loon genoten in het tijdvak, aansluitend voor het tijdvak waarin de ziekte optrad. Ditzelfde kan zich voordoen bij een werkneemster die recht heeft op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo). Ingevolge artikel 3:13 Wazo vindt daarom ook in dit geval de dagloonberekening op grond van artikel 11 van het besluit dagloonregels plaats. Artikel 11 is, met andere woorden, bedoeld om de hoogte van de uitkering zoveel mogelijk te laten aansluiten op het door de werkgever te betalen loon. Voor het overgrote deel van de gevallen zal dit goed uitpakken.

Bij wisselend loon in het refertejaar kan een dagloon echter hoger of lager uitvallen dan het loon dat de werkgever tijdens de uitkering uitbetaalt. Dit vloeit voort uit de keuze voor een historisch dagloon en is inherent aan de systematiek van het dagloonbesluit.

De rechtbank acht deze toepassing in strijd met de bedoeling van het tweede lid van artikel 15 ZW. In het onderhavige geval leidt juist toepassing van de afwijkende regeling in tegenstelling tot de hoofdregel tot een onwenselijk resultaat die geen recht doet aan het als gevolg van het "sociale risico" gederfde loon. De rechtbank is dientengevolge van oordeel dat toepassing van artikel 11 van het besluit dagloonregels in dit geval een onaanvaardbare afwijking geeft van het bepaalde in artikel 15, eerste lid van de ZW en de grenzen van de afwijkingsbevoegdheid in het tweede lid van dat artikel - gelet op de bedoeling van die bevoegdheid- overschrijdt.

Wij kunnen de rechtbank in dit oordeel niet volgen.

Uit de toelichting (kamerstuk 28 219, nr. 3 blz. 111 e.v.) op artikel 15, eerste lid ZW, blijkt dat in dit artikel de gedachte tot uitdrukking wordt gebracht dat de uitkering gebaseerd dient te worden op basis van verdiensten in het verleden (historisch dagloon). Deze grondslag is zodanig uitgewerkt dat het dagloon wordt berekend door het loon dat de werknemer in een jaar voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid verdiende te vertalen naar het loon dat gemiddeld per dag werd verdiend. Artikel 15, tweede lid, ZW biedt vervolgens de mogelijkheid om bij AMvB nadere en zonodig afwijkende regels te stellen "voor de vaststelling van het dagloon, inclusief vaststelling van de begrippen als "een jaar" en "het loon".

Met deze zinsnede is de bevoegdheid van de regelgever om afwijkende regels te stellen begrensd. De delegatiebepaling kan geen regels stellen die ingaan tegen het uitgangspunt van het historisch dagloon maar zij kan wel regels stellen die de periode van inkomsten of het loonbegrip betreffen. Deze mogelijkheid is, zo blijkt uit de toelichting, gegeven omdat de toepassing van de hoofdregel voor de berekening van het dagloon tot onredelijke en ongewenste uitkomsten kan leiden.

Aldus is ook artikel 11 van het besluit totstandgekomen. Zoals hierboven is aangegeven met de bedoeling om de hoogte van de uitkering zoveel mogelijk te laten aansluiten op het door de werkgever door te betalen loon.

Anders dan de rechtbank, is ondergetekende van mening, dat artikel 11 van het besluit hiermee binnen de grenzen blijft van de afwijkingsbevoegdheid, gegeven in het tweede lid van artikel 15 van de ZW.

Dat de toepassing van artikel 11 van het besluit in het onderhavige geval tot een lagere uitkomst leidt dan met toepassing van de hoofdregel het geval zou zijn geweest is een direct gevolg van het feit dat [betrokkene] wisselende inkomsten geniet. Deze omstandigheid heeft namelijk tot gevolg dat de uitkomst van de dagloonvaststelling per definitie geen weerspiegeling zal vormen van het als gevolg van het "sociale risico" gederfde loon.

Afgezien van het feit dat bij een wisselend loner moeilijk is vast te stellen wat nu precies als "gederfd loon" zou moeten worden gezien, is het ook niet de bedoeling om van dat loon uit te gaan bij het berekenen van een dagloon”.

De Raad verenigt zich met dit betoog van appellant en maakt dit tot het zijne.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

Tot slot ziet de Raad geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

AR