Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3227

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
07-616 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verblijfsvergunning met terugwerkende kracht. Ingangsdatum toekenning bijstand. Bijzondere omstandigheden. Inkomstenkorting in verband met onderhuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/616 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 januari 2007, 06/2977 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. van Vliet, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vliet. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant, afkomstig uit Liberia, is in 1999 met [K.] getrouwd, uit welk huwelijk een kind is geboren. Appellant heeft diverse aanvragen om bijstand ingediend, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Deze aanvragen zijn alle afgewezen. De echtelieden leven sedert 12 augustus 2004 gescheiden.

Bij besluit van 18 november 2005 is appellant een verblijfsvergunning verleend voor de periode van 25 mei 2004 tot 25 mei 2006, waarvan tot 1 augustus 2004 onder de beperking “verblijf bij echtgenote” en vanaf 1 augustus 2004 onder de beperking “het uitoefenen van gezinsleven bij zijn kind”.

Bij besluit van 10 januari 2006 heeft het College appellant met ingang van 16 juni 2005, de datum van melding bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Daarnaast heeft het College de gemeentelijke toeslag bepaald op 10%, omdat appellant zijn woonkosten met een onderhuurder kan delen. Tevens heeft het College bepaald dat vanwege een tweede onderhuurder tot 15 januari 2006 een bedrag van € 34,62 (vanaf 1 januari 2006 € 36,04) per maand wordt verrekend als inkomsten.

Bij besluit van 2 mei 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 mei 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. De grieven van appellant zijn gericht tegen de ingangsdatum van de bijstand, waarmee wordt beoogd dat appellant met terugwerkende kracht ook over de periode van 25 mei 2004 tot 16 juni 2005 voor bijstand in aanmerking komt, alsmede tegen de korting op de bijstand in verband met de onderhuurders.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de ingangsdatum

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB, stelt het College het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het College is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich overeenkomstig het bepaalde in artikel 44, tweede lid, van de WWB bij het CWI heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Het voorgaande geldt in gevallen waarin een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt verleend, onverkort.

De Raad is, anders dan de rechtbank en het College, van oordeel dat in het geval van appellant wel sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Appellant heeft immers, voor zover hier van belang, reeds op 5 mei 2004 een aanvraag om (gezins)bijstand ingediend. Die aanvraag is destijds afgewezen, primair op de grond dat appellant geacht werd over voldoende middelen te beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, omdat zijn huwelijkspartner een inkomen had dat hoger lag dan de voor appellant geldende bijstandsnorm. Appellant heeft dat gegeven niet betwist. Appellant heeft ter zitting van de Raad meegedeeld dat hij vanaf 1 augustus 2004 officieel is gescheiden van tafel en bed. Uit de gedingstukken kan voorts worden afgeleid dat appellant en zijn ex-partner vanaf 12 augustus 2004 niet meer op hetzelfde adres woonachtig zijn. Dit betekent dat dient te worden bezien of, en zo ja in hoeverre, appellant over de periode van 12 augustus 2004 tot 16 juni 2005 voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van bijstand. De Raad volgt appellant derhalve niet in zijn standpunt dat aan hem reeds met ingang van 24 mei 2004, de ingangsdatum van de hem verleende verblijfsvergunning, bijstand behoort te worden verleend.

Uit de gedingstukken is de Raad niet gebleken dat het College daadwerkelijk heeft onderzocht of appellant vanaf 12 augustus 2004 in bijstandsbehoevende omstandigheden heeft verkeerd. Aan de ter zitting van de Raad door de gemachtigde van het College naar voren gebrachte stelling dat daarnaar wel zou zijn gekeken gaat de Raad dan ook voorbij.

De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. In zoverre slaagt het hoger beroep.

Ten aanzien van de inkomstenkorting

De Raad stelt vast dat de (hoogte van de) toeslag van 10% niet in geschil is. Appellant is het echter niet eens met de korting van de inkomsten in verband met zijn onderhuurders.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot het oordeel hebben geleid dat het College met hantering van het ter uitvoering van artikel 11 van de Toeslagenverordening WWB bepaalde en in artikel 8 van de Beleidsregels middelen WWB neergelegde beleid, binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Het College heeft in verband met de inkomsten uit onderhuur overeenkomstig die beleidsregels een bedrag van € 34,62 (vanaf 1 januari 2006: € 36,04) in mindering op de bijstand van appellant gebracht. Appellant heeft nog aangevoerd dat hij in verband met gemaakte kosten aan de verhuur niets heeft verdiend. Wat daarvan verder ook zij, uit de gedingstukken blijkt dat appellant van de (tweede) onderhuurder ten minste een bedrag van € 100,-- aan huur ontving, zodat niet kan worden gezegd dat appellant met de door het College gehanteerde vermindering tekort is gedaan.

In zoverre slaagt het hoger beroep niet.

Slotoverwegingen

De aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 2 mei 2006 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover het betreft de ingangsdatum van de bijstand. Het College zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 2 mei 2006 voor zover dat betrekking heeft op de ingangsdatum van de bijstand;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Nijmegen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Nijmegen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2005.

(get.) C. van Viegen.

(get.) W. Altenaar.

AR