Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3196

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
06-4238 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toegenomen arbeidsongeschiktheid? Papieren herbeoordeling door verzekeringsarts is onvoldoende. Tevens dient arbeidskundige herbeoordeling plaats te vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4238 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]r (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 16 juni 2006, 05/7222 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.B. de Jong, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich, ambtshalve opgeroepen, laten vertegenwoordigen door M.C. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als tuinbouwmedewerkster voor 38 uur per week. Op 12 oktober 1999 is zij uitgevallen met nek-, rechterarm- en buikklachten. Bij het einde van de wachttijd van 52 weken is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die sedert 14 februari 2002 werd berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. Het tegen de herziening van de WAO-uitkering gemaakte bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard. Een verzoek van appellante om terug te komen van het herzieningsbesluit is bij besluit van 4 april 2005 afgewezen. Het besluit van 4 april 2005 staat in rechte vast.

1.2. Blijkens een brief van het Uwv van 26 augustus 2004 aan appellante heeft zij op 16 augustus 2004 een medische vragenlijst ingevuld. Zij heeft daarin aangegeven dat haar klachten zijn toegenomen. In voormelde brief heeft het Uwv appellante meegedeeld dat de door haar genoemde (verergerde) klachten reeds in eerdere beoordelingen zijn meegenomen en dat zij, zo zij meent dat dit niet zo is, verklaringen van de behandelende sector dient over te leggen. Daarop heeft het Uwv een brief van 28 september 2004 van het Bekkenbodemcentrum van het Leids Universitair Medisch Centrum, gericht aan de huisarts van appellante, ontvangen.

1.3. Op 8 december 2004 is appellante in verband met de melding van toegenomen klachten onderzocht door de verzekeringsarts L.L. Ubbink, die haar eerder op 23 oktober 2001 had onderzocht, hetgeen toen heeft geleid tot de herziening van de WAO-uitkering per 14 februari 2002. Ubbink stelde vast dat appellante op 3 december 2004 een buikoperatie had ondergaan en als gevolg daarvan nog restpijnklachten ondervond.

Op 26 januari 2005 heeft hij haar weer uitgenodigd voor een onderzoek. Op basis van de diagnose varices, degeneratieve afwijkingen van de cervicale werkvelkolom op niveau C2-C4 en urge-incontinentie achtte hij appellante beperkt voor nek- en armbelastende arbeid. Hij nam in verband daarmee beperkingen aan voor statische nekbelasting, bovenhands werken, zwaar tillen en dragen en gaf aan dat appellante altijd in de buurt van een toilet zou moeten werken. Hij concludeerde voorts dat per 3 december 2004 een nieuwe medische situatie gold, aangezien de door appellante aangedragen medische gegevens tot aan de datum van de operatie geen nieuwe medische feiten bevatten. Hij legde de belastbaarheid van appellante per 3 december 2004 vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De op basis van deze FML door een arbeidsdeskundige geselecteerde functies leidden tot een verlies aan verdiencapaciteit van 26,7%.

1.4. Bij besluit van 9 maart 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante per 18 februari 2005 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Bij brief van 5 april 2005 heeft het Uwv het besluit van 9 maart 2005 vervallen verklaard en vervangen door een besluit van 5 april 2005, waarbij de herzieningsdatum is gesteld op 31 december 2004. Ook tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

2. Blijkens haar rapport van 18 juli 2005 heeft bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans op basis van dossieronderzoek geconcludeerd dat, zo op 3 december 2004 al sprake was van een toename van de urge-incontinentie, die toename voortkwam uit een andere ziekteoorzaak, zodat niet een wachttijd van 4 weken maar eventueel van 52 c.q. 104 weken aan de orde was. Omdat appellante door het bezwaar niet in een nadeliger positie mocht komen, heeft Huijsmans de wachttijd van 4 weken aangehouden. Bovendien was Huijsmans van oordeel dat de beperkingen van appellante sedert de beoordeling in oktober 2001 niet waren toegenomen. Daarop heeft de bezwaararbeids-kundige overwogen dat een arbeidskundige herbeoordeling niet aan de orde was. Bij besluit van 7 september 2005 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Namens appellante is in hoger beroep onder meer aangevoerd dat in rechte niet kan worden volgehouden dat vóór 3 december 2004 geen sprake was van een toename van de klachten. Appellante heeft immers in augustus 2004 al melding gemaakt van meer klachten. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de blaasklachten ontstaan zijn als gevolg van de buikoperaties in 1999 en 2000. Na de buikoperatie in december 2004 zijn de blaasklachten toegenomen. De primaire verzekeringsarts heeft dan ook terecht geoordeeld dat sprake was van klachten met min of meer dezelfde oorzaak.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. Artikel 39a, eerste lid, van de WAO bepaalt, onder meer, dat ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid vier weken heeft geduurd.

5.2. De Raad stelt vast dat blijkens de zich in het dossier bevindende gegevens van de behandelende sector appellante sedert 1999 problemen heeft met de mictie in de vorm van urge-incontinentie. Daarvoor werd zij, ook ten tijde in geding, medisch behandeld. Weliswaar is de medische oorzaak van de mictieklachten niet geheel duidelijk, maar uit de diverse rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat de problematiek door hen is erkend. In verband met deze klachten heeft de verzekeringsarts N.L. van Luntesburg bij de eerste medische beoordeling in 2000 appellante beperkt geacht voor langdurig bukken en werken op loopafstand van een toilet nodig geacht. Bij de herbeoordeling in 2001 concludeerde verzekeringsarts Ubbink dat sprake was van een lichte mate van urine-incontinentie. Hij nam daarvoor toen geen beperkingen aan. Blijkens het rapport van Ubbink van 26 januari 2005 was in de periode vanaf 3 december 2004 sprake van een toename van de mictieklachten. In verband daarmee nam hij een beperking aan op aspect 3.10 van de FML, in die zin dat appellante vanaf 3 december 2004 zodanig beperkt was dat zij tewerk gesteld moest kunnen worden nabij een toilet.

5.3. Uit hetgeen in 5.2. is overwogen blijkt dat de aan appellante in 2000 toegekende WAO-uitkering mede berustte op beperkingen samenhangend met klachten van urge-incontinentie. Deze klachten waren ten tijde in geding aanwezig en waren in ieder geval sedert 3 december 2004 toegenomen. De Raad is van oordeel dat hier sprake is van toename van de klachten uit dezelfde oorzaak als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, van de WAO. Dat een “nieuwe” medische ingreep heeft geleid tot de klachtentoename, acht de Raad hierbij niet van belang. Dit betekent dat in het geval van appellante een wachttijd gold van vier weken. Gelet daarop is terecht 31 december 2004 als herzieningsdatum aangehouden.

5.4. De Raad acht het standpunt van bezwaarverzekeringsarts Huijsmans dat, anders dan verzekeringsarts Ubbink heeft aangenomen, de toename van de klachten per 3 december 2004 niet heeft geleid tot een toename van de beperkingen onvoldoende onderbouwd. In dat verband overweegt de Raad dat, ingeval een bezwaarverzekeringsarts op basis van dossieronderzoek tot de conclusie komt dat sprake is van minder beperkingen dan de primaire verzekeringsarts heeft aangenomen, het in de rede ligt niet te volstaan met een papieren herbeoordeling, maar dit oordeel nader te onderbouwen met een eigen medisch onderzoek en betrokkene daarvoor op te roepen voor het spreekuur.

5.5. Voorts overweegt de Raad dat, uitgaande van een toename van de beperkingen van appellante, in bezwaar een arbeidskundige heroverweging had dienen plaats te hebben. Nu deze heroverweging in verband met het voormelde oordeel van de bezwaarverzekeringsarts achterwege is gebleven, berust het bestreden besluit op een ontoereikende motivering en dient het wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.

6. Hetgeen de Raad in 5.3. tot en met 5.5. heeft overwogen leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Het Uwv zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van appellante dienen te beslissen.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

RB