Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
07-1631 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ANW-uitkering. Gezamenlijke huishouding. Voldaan aan criteria? Hoofdverblijf? Wederzijdse zorg?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1631 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 maart 2007, 06/1429 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 20 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.E. van Uitert, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen van appellante en [d. V.] (hierna: [d. V.]) tegen het dagelijks bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (hierna: dagelijks bestuur), met respectievelijk reg.nrs. 07/1632 WWB, 07/1531 WWB en 07/1532 WWB, plaatsgevonden op 8 april 2008, waar mr. Van Uitert namens appellante is verschenen en waar de Svb zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, woonachtig te [woonplaats] (gemeente [naam gemeente]), [adres], ontving sedert 1 december 2002 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). [d. V.], die volgens zijn opgave woonachtig was te [naam gemeente], [adres], heeft met ingang van 15 juli 2004 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand.

Naar aanleiding van de resultaten en bevindingen van een onderzoek vanwege het dagelijks bestuur naar de woon- en leefsituatie van [d. V.], zoals neergelegd in het rapport van de sociale recherche van 20 december 2005, met bijlagen, is vanwege de Svb vervolgens een onderzoek ingesteld met betrekking tot de vraag of appellante in haar woning te [woonplaats], [adres], met [d. V.] een gezamenlijke huishouding voerde. In dit kader heeft appellante ten overstaan van de sociale recherche een verklaring afgelegd en heeft onder meer een onderzoek plaatsgevonden naar het energieverbruik in de woning van appellante. De resultaten en bevindingen van dit onderzoek zijn vervat in het rapport van de sociale recherche van 3 april 2006, met bijlagen.

De Svb heeft de resultaten en bevindingen van het onderzoek naar de woon- en leefsituatie van [d. V.] mede in haar beoordeling betrokken en is tot de conclusie gekomen dat appellante vanaf februari 2005 met [d. V.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd in de zin van artikel 3 van de Anw.

Bij besluit van 10 januari 2006 heeft de Svb appellante meegedeeld dat haar recht op nabestaandenuitkering op 28 februari 2005 eindigt.

Bij besluit van 12 mei 2006 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 mei 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw - voor zover hier van belang - is bepaald dat het recht op nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. In gevolge het tweede lid van artikel 16 van de Anw eindigt het recht met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de nabestaande een gezamenlijke huishouding is gaan voeren.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Met de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat in het geval van appellante in februari 2005 aan beide criteria is voldaan, zodat toen sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent heeft overwogen en verwijst daarnaar.

Ook de Raad hecht met name belang aan de gedetailleerde verklaring die appellante op 19 december 2005 ten overstaan van de sociale recherche heeft afgelegd en na voorlezing mede heeft ondertekend. Die verklaring vindt in voldoende mate ondersteuning in de overige gegevens van het onderzoek, onder meer in de gebleken verdubbeling van het energieverbruik in de woning van appellante in de periode van 15 september 2004 tot 9 september 2005 ten opzichte van de daarvoor liggende periode van 10 september 2003 tot 15 september 2004, en in de verklaringen die [d. V.] ten overstaan van de sociale recherche heeft afgelegd, alsmede in de verklaringen van getuigen.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank afdoende is ingegaan op de grief van appellante dat haar verklaring aan het bewijs van de gezamenlijke huishouding niet kan bijdragen, omdat zij onder druk is afgelegd en op de grief dat [d. V.] slechts kostganger was. Hetgeen appellante hieromtrent in hoger beroep heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan de Rechtbank.

Gelet op het vorenstaande eindigde ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 16, tweede lid van de Anw, het recht van appellante op een nabestaandenuitkering met ingang van 1 maart 2005. De Svb was dan ook op grond van artikel 34 van de Anw gehouden de nabestaandenuitkering met ingang van die datum in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende reden als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw op grond waarvan de Svb geheel of gedeeltelijk van intrekking kon afzien.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

OA