Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
07-1041 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. De juridische kosten waren reeds door betrokkene voldaan vóór de indiening van de aanvraag van bijzondere bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1041 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 januari 2007, 06/1064 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. Reeser hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2008. Appellant is in persoon verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 10 februari 2005 heeft appellant bij het College een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in juridische kosten voor een bedrag van € 873,78. Appellant heeft deze kosten moeten maken in verband met een ontslagprocedure in 2004. De ex-werkgever van appellant werd bij vonnis van de kantonrechter op 10 juni 2004 veroordeeld tot betaling van de juridische kosten van appellant. De ex-werkgever is failliet verklaard en appellant heeft de juridische kosten als vordering ingediend bij de curator. Het faillissement van de ex-werkgever werd in augustus 2006 opgeheven wegens gebrek aan baten. Appellant heeft zijn vordering ad € 873,78 daardoor niet kunnen innen.

Bij besluit van 19 augustus 2005 heeft het College de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen.

Bij besluit van 22 december 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 december 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Tevens zijn beslissingen over proceskosten en griffierecht gegeven.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB wordt bijstand verleend aan iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Naar vaste rechtspraak van de Raad vloeit uit deze bepaling voort dat in beginsel geen plaats is voor bijstandsverlening in kosten waarin ten tijde van de aanvraag reeds is voorzien.

Zoals appellant ter zitting van de Raad heeft bevestigd waren de juridische kosten reeds door hem voldaan vóór de indiening van de aanvraag van bijzondere bijstand voor die kosten. Gelet hierop was dan ook voor verlening van bijzondere bijstand in die kosten naar het oordeel van de Raad in beginsel geen plaats. De Raad ziet in dit geval geen omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat niet gebleken is dat ten tijde van de aanvraag sprake was van schulden die appellant heeft gemaakt ter betaling van de juridische kosten.

Het voorgaande betekent dat het College terecht de aanvraag heeft afgewezen.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

OA