Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2841

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
07/1748 WWB, 07/1749 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgaven overstijgen de inkomsten. Onderzoek. Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Vaststelling van het recht op bijstand. Proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1748 WWB

07/1749 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant) en [Appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats] in België,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 februari 2007, 06/2613 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Huisman, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Huisman. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door deze gemachtigde. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.G.C. Huijgens, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

II. OVERWEGINGEN

De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

Appellanten ontvingen sinds 23 december 2003 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van aanwijzingen dat appellanten een te hoog bedrag uitgeven aan vaste lasten en levensonderhoud in relatie tot de hoogte van de uitkering is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Hieruit is gebleken dat appellanten sinds de aanvang van de bijstand maandelijks meer hebben uitgegeven dan zij aan bijstand hebben ontvangen.

Appellanten hebben het College medegedeeld vanaf 1 juli 2005 geen prijs meer te stellen op een bijstandsuitkering.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 19 september 2005 de bijstand van appellanten met ingang van 1 juni 2005 en over de periode van 23 december 2003 tot en met 31 mei 2005 in te trekken, en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 20.038,97 van appellanten terug te vorderen.

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 september 2005 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 mei 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellanten - ook - met de in beroep overgelegde nadere gegevens niet inzichtelijk hebben gemaakt wat de herkomst is van de gelden waarover zij naast hun bijstandsuitkering de beschikking hebben gehad, waardoor het recht op bijstand nog steeds niet kan worden vastgesteld. Appellanten hebben geen bewijs geleverd terzake van - een deel van de - gestelde kredietopnames en belastingteruggaven en van de herkomst van de stortingen op bankrekeningen in de periode van 30 december 2004 tot en met 13 mei 2005. Voorts is onvoldoende informatie verstrekt over de - inkomsten uit - de door appellant verrichtte autoreparaties.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij een oordeel is gegeven over de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode 23 december 2003 tot en met 31 mei 2005.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De inlichtingenverplichting

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. De Raad overweegt daartoe dat appellanten, ondanks dat zij daartoe voorafgaand aan de besluitvorming diverse keren in de gelegenheid zijn gesteld, hebben verzuimd om een volledig inzicht te bieden in de herkomst van de gelden die zij gedurende de periode hier van belang naast hun uitkering hebben ontvangen. Zo heeft het College appellant(en) tijdens een gesprek op 16 juni 2005 en vervolgens schriftelijk op 27 juni 2005 tevergeefs verzocht om hun financiële situatie volledig inzichtelijk te maken. De grief van appellanten dat zij ervan mochten uitgaan dat de zaak was afgedaan met de stopzetting van de bijstand per 1 juli 2005 en dat niet redelijkerwijs duidelijk was dat hun handelswijze ook gevolgen zou kunnen hebben voor het recht op bijstand in het verleden treft derhalve geen doel.

Het recht op bijstand

Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen daarbij ook de door de belanghebbende in de (hoger) beroepsfase alsnog verstrekte gegevens te worden betrokken.

Appellanten hebben in hoger beroep nadere gegevens overgelegd en hebben gesteld dat het recht op bijstand nu wel kan worden vastgesteld.

De Raad is van oordeel dat appellanten de kredietopnames en de belastingteruggaven, waarover in eerste aanleg nog onduidelijkheid bestond, in hoger beroep alsnog aannemelijk hebben gemaakt door middel van de overgelegde bankafschriften. Voorts hebben appellanten in hoger beroep alsnog een niet ongeloofwaardige verklaring gegeven voor de herkomst van de stortingen in de periode van 30 december 2004 tot en met 13 mei 2005. Appellanten hebben - ook ten aanzien van deze periode - een gedetailleerd overzicht verstrekt van opbrengsten uit de verkoop van een deel van hun bezittingen - waaronder kleding en een laptop - via marktplaats en opnames van andere bankrekeningen. De Raad acht daarmee de herkomst van de gestorte bedragen voldoende aannemelijk geworden.

De Raad oordeelt anders ten aanzien van de inkomsten uit autoreparaties nu daarin onvoldoende inzicht is gegeven. Het College heeft zich met verwijzing naar het gesprek met appellant op 16 juni 2005 op het standpunt gesteld dat deze werkzaamheden gedurende de gehele periode in geding zijn verricht, hetgeen door appellanten gemotiveerd is weersproken. Blijkens het verslag van dit gesprek heeft appellant verklaard een tot tweemaal per maand aan auto’s te sleutelen en daarvoor wel eens € 100,-- tot € 200,-- toegestopt te krijgen. Deze verklaring biedt naar het oordeel van de Raad geen toereikende grondslag voor het standpunt van het College. De besluitvorming van het College berust derhalve wat betreft de inkomsten uit autoreparaties op een onvoldoende draagkrachtige motivering.

Op grond van het voorgaande dient de Raad de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te vernietigen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 23 november 2006 vernietigen en het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Met het oog op de verdere besluitvorming merkt de Raad op dat het College - desnoods bij wijze van schatting op basis van de beschikbare gegevens waaronder het in beroep door appellanten overgelegde overzicht - een nader standpunt moet innemen ten aanzien van de periode waarin sprake was van inkomsten uit autoreparaties alsmede de hoogte van die inkomsten, voor zover deze zijn vast te stellen. Het College dient daarbij tevens te beslissen op het verzoek om de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.

De proceskosten

De Raad ziet tot slot aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden begroot op

€ 653,76 in beroep en op € 690,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand en reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 23 mei 2006, voor zover het betreft de intrekking en de terugvordering over de periode van 23 december 2003 tot en met 31 mei 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 19 september 2005 met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van

€ 1.343,76, te betalen door de gemeente Amersfoort aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Amersfoort aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) W. Altenaar.

IJ