Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
06-3563 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Beperkingen ten aanzien van knielen en hurken ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3563 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 mei 2006, 05/2228 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.A.M.H. Fiori, medewerker van ARAG-Nederland Algemene Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2008. Appellant is, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. van der Wal.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als chef werkplaats in dienst van [werkgever]. Vanuit een situatie waarin hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving heeft appellant zich in maart 1995 ziek gemeld. Als gevolg van een explosie die plaatsvond tijdens een sollicitatiegesprek heeft appellant zijn rechteroog en een deel van zijn rechter gelaatshelft verloren en meerdere fracturen van zijn schedel opgelopen. Na afloop van de wachttijd van 52 weken is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In verband met een herbeoordeling op basis van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is appellant op 19 mei 2005 onderzocht door de arts J. Rosier. Deze arts heeft als diagnoses gesteld: letsel van oog en oogkas, verlies van gezichtsvermogen en lowpressure hoofdpijn ten gevolge van periodieke liquor lekkage. In een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn de voor appellant geldende beperkingen opgenomen. Na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) is arbeidsdeskundige F.H. van der Hijden tot de conclusie gekomen dat appellant in staat is een aantal functies te vervullen, waarmee hij een zodanig inkomen kan verwerven dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 45%. Overeenkomstig deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 3 juni 2005 de WAO-uitkering van appellant per 28 juli 2005 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 juni 2005. Bezwaarverzekeringsarts J. Jonker heeft bij de heroverweging van de medische grondslag van dat besluit geen aanleiding gevonden om af te wijken van het primaire medische oordeel. Bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald heeft evenmin reden gevonden om de arbeidskundige grondslag van het besluit te wijzigen. Bij besluit van 21 september 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 juni 2005 ongegrond verklaard.

2. In het beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant aangevoerd dat de behandelend specialist heeft vastgesteld dat sprake is van een liquorlek dat hevige hoofdpijnklachten veroorzaakt. Appellant heeft erop gewezen dat nog steeds operatieve ingrepen dreigen en dat geen sprake is van een stationaire toestand waaruit duurzame arbeidsmogelijkheden volgen. Naar de mening van appellant is het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig geweest omdat geen informatie is ingewonnen bij de behandelend arts(en) en wederom het eerder in 1998 en 2002 ingenomen standpunt is ingenomen.

3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de ingestelde verzekeringsgeneeskundige onderzoeken alleszins zorgvuldig zijn geweest, waarbij kennis is genomen van de uitvoerige omtrent appellant beschikbare medische gegevens, die de behandelend sector voorheen heeft verstrekt. De stelling van appellant dat inmiddels is vastgesteld dat sprake is van een liquorlek heeft hij niet doen steunen op medische gegevens waaruit dat valt af te leiden. Ten aanzien van de plastische ingreep die voor begin 2006 gepland stond heeft de rechtbank overwogen dat daaruit wellicht de conclusie kan worden getrokken dat na de datum hier in geding de medische toestand van appellant is verslechterd, maar dat die omstandigheden in dit geding buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de functies van administratief medewerker afhandelingen (SBC-code 515080), (beginnend) administratief medewerker (SBC-code 315090) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) in overeenstemming zijn met de voor appellant geldende beperkingen. Aangezien eerst tijdens de beroepsprocedure een deugdelijke toelichting en motivering van de functies is verstrekt, heeft de rechtbank aanleiding gezien het bestreden besluit te vernietigen en onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten.

4. Appellant is in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak. Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten onrechte heeft uitgevoerd met behulp van het CBBS. Naar de mening van appellant is het CBBS-systeem ook na de per 1 juli 2005 aangebrachte aanpassingen nog steeds onvoldoende inzichtelijk, onvoldoende toetsbaar en onvoldoende verifieerbaar. In dat verband heeft appellant verwezen naar uitspraken van de Raad van 9 november 2004 en uitspraken van de rechtbank Almelo van 13 januari 2006, onder meer LJN: AU9709.

5.1. Met betrekking tot het door het Uwv gehanteerde CBBS verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraken van 9 november 2004, onder meer LJN: AR4717, zijn uitspraken van 12 oktober 2006, onder meer LJN: AY9971, en zijn uitspraken van 23 februari 2007, onder meer LJN: AZ9153.

5.2. De Raad heeft - kort gezegd - overwogen dat het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar is te achten als ondersteunend systeem bij de bepaling van (de mate van) arbeidsongeschiktheid, maar dat het een aantal onvolkomenheden vertoont en dat, zolang het CBBS niet wordt aangepast, zwaardere eisen worden gesteld aan de motivering van schattingsbesluiten. In reeds lopende zaken zal het bestreden besluit vernietigd dienen te worden indien niet uiterlijk bij de beslissing op het bezwaar aan die eisen wordt voldaan. In het geval in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep een besluit op bezwaar alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

5.3. Met betrekking tot het aangepaste CBBS is de Raad tot de slotsom gekomen dat met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende in zijn evengenoemde uitspraken van 9 november 2004 beschreven onvolkomenheden in voldoende mate zijn opgeheven. Hieruit volgt dat de grief van appellant dat het CBBS-systeem ook na de per 1 juli 2005 aangebrachte aanpassing nog steeds onvoldoende inzichtelijk, onvoldoende toetsbaar en onvoldoende verifieerbaar is niet slaagt.

5.4. Wat betreft de signaleringen met een G heeft de Raad overwogen dat alle door het CBBS-systeem op de functiebelastingen aangebrachte signaleringen van een afzonderlijke toelichting dienen te worden voorzien, waarbij tevens geldt dat in voorkomende gevallen, afhankelijk van de zich voordoende feiten en omstandigheden, voorafgaand overleg met de verzekeringsarts noodzakelijk zal zijn.

5.5. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de (bezwaar)verzekerings-artsen een voldoende zorgvuldig onderzoek hebben verricht naar de gezondheidstoestand van appellant en dat geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat met de beperkingen, zoals weergegeven in de FML van 23 mei 2005, de arbeidsmogelijkheden van appellant zijn overschat.

5.6. De Raad is evenwel, anders dan de rechtbank, van oordeel dat niet genoegzaam is gemotiveerd dat de hiervoor onder 3. genoemde functies in overeenstemming zijn met de voor appellant vastgestelde beperkingen.

5.7. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts Jonker zich in haar rapportage van 4 maart 2008 op het standpunt gesteld dat de FML van 23 mei 2005, evenals de FML van 16 mei 2003, een fout bevat. In deze FML is in

rubriek 4 (dynamische handelingen) onder punt 22 (knielen of hurken) opgenomen dat appellant niet of nauwelijks knielend of hurkend met de handen de grond kan bereiken. De bezwaarverzekeringsarts is van mening dat voor deze beperking geen indicatie aanwezig is en dat voor appellant grondbereik normaal mogelijk is, zodat hij zonder problemen af en toe een papiertje van de grond kan pakken en soms een dossier uit een lager geplaatste la kan pakken. Derhalve zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts alle vormen van kantoorwerk voor appellant mogelijk.

5.8. Naar het oordeel van de Raad is het standpunt, dat het Uwv eerst in hoger beroep inneemt, dat appellant geen beperkingen ondervindt ten aanzien van knielen en hurken ontoereikend gemotiveerd. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellant tijdens de diverse verzekeringsgeneeskundige onderzoeken die in de loop der jaren hebben plaatsgevonden heeft aangegeven dat hij zonder problemen kan knielen en hurken, noch dat hij melding heeft gemaakt van activiteiten waaruit dat kan worden afgeleid. Evenmin blijkt uit de rapportages dat daaromtrent specifiek onderzoek is verricht. In de FML zijn beperkingen opgenomen in verband met de lichamelijke belastbaarheid van appellant, waaronder ten aanzien van het aspect knielen of hurken en geknield of gehurkt actief zijn. De Raad gaat ervan uit dat de FML bewust en weloverwogen is opgesteld. Daarbij acht de Raad het geenszins uitgesloten dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in

mei 2005 onveranderd de beperking ten aanzien van knielen en hurken is aangenomen in verband met de opgave van appellant dat lichamelijke inspanning hoofdpijnklachten veroorzaken. De arts Rosier is er ook vanuit gegaan dat sprake is van lowpressure hoofdpijn ten gevolge van periodieke liquor lekkage. Derhalve is de Raad er niet van overtuigd dat het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat deze beperking ten onrechte is aangenomen juist is.

Uitgaande van deze beperking heeft het Uwv niet gemotiveerd dat de functies van beginnend administratief medewerker en administratief ondersteunend medewerker, waarbij een deel van de werkzaamheden in een hurkende positie wordt verricht, in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellant.

6. De Raad is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Daaruit vloeit voort dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, maar ten onrechte heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven.

7. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

SSw