Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2831

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
07-1699 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bovenwettelijke werkloosheidsuitkering.

Wetsverwijzingen
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1699 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 8 februari 2007, 05/1328 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 22 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.T. van Daatselaar, advocaat te Paterswolde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2], beiden werkzaam bij KPMG Management Services.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was tot zijn (eervol) ontslag per 1 februari 1992 leraar in het basisonderwijs in een volledige betrekking. Bij besluit van 26 juni 1992 is aan appellant aansluitend een ontslaguitkering op grond van hoofdstuk I-H van het toen geldende Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (RpO) toegekend. Met ingang van 1 maart 1994 is het hoofdstuk I-H van het RpO ingetrokken. Sindsdien ontleent appellant het recht op uitkering aan het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO). Volgens overgangsrecht echter werden pas met ingang van 1 januari 1996 op de uitkering van appellant, voor zover hier van belang, de artikelen 6 (over de beëindiging van het recht op uitkering) en 20 (over anticumulatie van inkomen uit arbeid of bedrijf) van de BWOO van toepassing.

1.2. Appellant was als zelfstandige werkzaam. Hij deed, voor zover in dit geding van belang, in elk van de jaren 2000 tot in 2005, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) voor de toepassing van artikel 6 van het BWOO onder andere opgaaf van het aantal arbeidsuren als zelfstandige.

1.3. Bij brief van 16 juni 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat, volgens informatie van de belastingdienst, hij met ingang van het fiscale jaar 2000 zelfstandigen-aftrek heeft aangevraagd en er verschil bestaat tussen het aantal arbeidsuren dat hij over elk van de jaren 2000 tot 2005 (tot juni) zal hebben opgegeven aan de belastingdienst met het oog op de zelfstandigenaftrek (1225 uur) en het veel minder aantal arbeidsuren dat hij aan het Uwv voor het bepalen van zijn recht op uitkering volgens het BWOO heeft opgegeven. Appellant werd om uitleg gevraagd.

1.4. In antwoord daarop heeft appellant op 28 juni 2005 de urenadministratie ingezonden die hij over elk van de jaren 2000 tot en met 2005 voor zijn beroep op de zelfstandigen-aftrek ten behoeve van de belastingdienst had opgemaakt. In deze administratie is een overzicht gegeven van de uren van voorbereiding, van werk en van reistijd, die in totaal per jaar van 2000 tot en met 2004 boven het aantal van 1225 uren uitkomen.

1.5. Namens de minister is bij besluit van 18 juli 2005 de uitkering van appellant met inachtneming van diens onder 1.4. vermelde opgaaf herberekend en met ingang van 1 juli 2000 tot 1 juli 2005 herzien; het over die periode te veel aan uitkering op grond van het BWOO betaalde bedrag van € 85.010,60 is van appellant teruggevorderd.

1.6. Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft de minister het bezwaar dat appellant, onder andere, tegen het besluit van 18 juli 2005 had gemaakt, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 25 oktober 2005 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Namens appellant is in de eerste plaats betoogd dat de rechtbank aan artikel 6, tweede lid, van het BWOO, zoals uitgelegd in de in de aangevallen uitspraak genoemde uitspraken van de Raad van 22 september 2004 (LJN AR2707) en 16 februari 2005 (LJN AS6572), een onjuiste toepassing heeft gegeven. Dit heeft ertoe geleid dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de zogenoemde indirecte uren (van voorbereiding en reizen) die in de opgaaf van 28 juni 2005 zijn terug te vinden en die aldus appellant, anders dan de zogenoemde directe uren, niet onder het begrip arbeidsuren in artikel 6, tweede lid, van het BWOO vallen. De Raad volgt appellant hierin niet. Uit zijn jurisprudentie (onder andere de genoemde uitspraak van 22 september 2004) komt naar voren dat onder het begrip arbeidsuren in de zin van artikel 6, tweede lid, van het BWOO ook de uren vallen die onmiskenbaar ten goede komen aan het beroep of bedrijf. De Raad is van oordeel dat van de uren die appellant in zijn opgaaf van 28 juni 2005 heeft vermeld, niet alleen de als werkuren aangeduide uren onder het aldus geldende begrip arbeidsuren in artikel 6, tweede lid, van het BWOO vallen, maar ook de daarin genoemde uren van voorbereiding en reizen. Zonder deze uren was het appellant immers niet mogelijk zijn arbeid als zelfstandige uit te oefenen zoals hij heeft gedaan.

3.2. Het BWOO biedt geen grondslag aan het betoog van appellant dat uit een oogpunt van evenredigheid rekening kan en moet worden gehouden met het feit dat van hem een (veel) hoger bedrag aan uitkering wordt teruggevorderd dan hij in de aan de orde zijnde jaren met zijn arbeid als zelfstandige heeft verdiend. Anders dan in (hoofdstuk I-H van) het RpO terzake was geregeld, is voor het bepalen van (de omvang van) het recht op uitkering op grond van het BWOO het aantal in aanmerking te nemen arbeidsuren beslissend en speelt de omvang van het uit die uren gegenereerde inkomen geen rol.

3.3. Appellant heeft zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit ook wat betreft de terugvordering op goede gronden berust. De Raad stelt vast dat de minister de beslissing tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag van € 85.010,60 heeft gebaseerd op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van het BWOO, aangezien hij van oordeel is dat het uitvoeringsorgaan door toedoen van appellant onverschuldigd heeft betaald. Evenals de rechtbank acht de Raad dat oordeel juist. De Raad volgt dan ook niet de stelling van appellant dat hij bij zijn opgaaf van arbeidsuren over elk van de jaren 2005 tot en met 2005 te goeder trouw is geweest omdat hij niet wist en niet kon weten dat ook de zogenoemde indirecte uren moesten worden opgeven. Indien moet worden aangenomen dat dit zo was, dan geldt dat appellant bij het uitvoerings-orgaan schriftelijk om informatie had moeten vragen. Appellant heeft zich erop beroepen dat hij bij een voorlichtingsbijeenkomst over de werking van het BWOO in 1996 zijn situatie met een voorlichter van het Uwv heeft besproken en dat deze met zijn wijze van opgaaf, waarbij niet alle daadwerkelijk aan de bedrijfsvoering bestede uren zijn vermeld, heeft ingestemd. De Raad kan appellant ook hier niet volgen omdat schriftelijke vastlegging van het besprokene ontbreekt en thans niet meer kan worden vastgesteld wat precies is besproken en toegezegd.

3.4. De minister was dan ook bevoegd tot terugvordering van het aan appellant onverschuldigd betaalde bedrag van € 85.010,60. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. De rechtbank heeft bij haar toetsing van de terugvorderingbeslissing, overwegende dat het bestreden besluit ook wat die beslissing betreft, op goede gronden berust, een onjuiste maatstaf aangelegd. De Raad is op zijn beurt van oordeel dat de wijze waarop de minister van zijn discretionaire bevoegdheid tot terugvordering heeft gebruik gemaakt, de beperkte toetsing van de Raad kan doorstaan.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD