Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
06-3137 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Toereikende onderbouwing van arbeidskundige grondslag eerst in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3137 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 mei 2006, 05/1595 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Gloudi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker buurtbeheer en is in 1997 uitgevallen in verband met nekklachten. Appellant heeft nadien een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen en is in 1999 opnieuw uitgevallen. In aansluiting op de wachttijd is appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend. In 2004 is appellant verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft beperkingen aangenomen onder andere in verband met nek-, schouder-, hand- en knieklachten en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en vastgesteld dat geen sprake is van verlies aan verdiencapaciteit. Bij besluit van 4 februari 2005 is de WAO-uitkering, die voordien was vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 4 april 2005 ingetrokken.

1.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangenomen dat sprake is van meer beperkingen en heeft de FML dienovereenkomstig aangescherpt. De bezwaararbeidsdeskundige heeft opnieuw functies geselecteerd aan de hand van het CBBS en vastgesteld dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 13,2%. Bij besluit van 17 augustus 2005 (bestreden besluit) is het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij is bepaald dat de uitkering met ingang van 4 april 2005 wordt voortgezet en eerst per 5 september 2005 wordt ingetrokken. In beroep hebben zowel de bezwaarverzekeringsarts, in een rapportage van 11 oktober 2005, als de bezwaararbeidsdeskundige, in een rapportage van 20 oktober 2005, de geschiktheid van de functies nader gemotiveerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich verenigd met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft overwogen dat genoegzaam vaststaat dat appellant in staat is tot het verrichten van de drie resterende functies.

3. Appellant heeft gesteld dat hij ongeschikt is voor één van de resterende functies, te weten die van meteropnemer (sbc-code 315181). Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat de geschiktheid van de functies voldoende is gemotiveerd. Daarbij is een rapportage van 24 januari 2007 van een bezwaararbeidsdeskundige ingediend. Naar aanleiding van vragen van de Raad is een nadere rapportage van 7 januari 2008 van een bezwaararbeidsdeskundige ingediend.

4.1. De Raad stelt vast dat de medische grondslag van het bestreden besluit tussen partijen niet in geschil is. De Raad overweegt voorts dat in de rapportage van 7 januari 2008 een uiteenzetting is gegeven over de beperkende toelichtingen die voorkomen bij een aantal FML-items. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 23 februari 2007 (LJN: AZ9153). Naar het oordeel van de Raad is aannemelijk dat in dit geval de wijze van invullen van de FML niet heeft geleid tot een onvoldoende inzichtelijke onderbouwing van de geschiktheid van de functies.

4.2. Appellant heeft uitvoerig betoogd op welke aspecten de belasting in de functie van meteropnemer zijn mogelijkheden te boven gaat. De Raad constateert dat appellant beperkt is voor het uitoefenen van knijp- en grijpkracht met de linkerhand en dat voor het overige - waaronder ook de bolgreep is begrepen - geen beperkingen voor hand- of vingergebruik zijn aangenomen. Voorts gelden beperkingen voor het gebruik van toetsenbord en muis. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat het niet zo is dat appellant niets meer kan met zijn linkerhand. Volgens de (bezwaar)arbeidsdeskundigen betreft de functie relatief lichte werkzaamheden, kan appellant bij het bedienen van de handterminal, de zaklantaarn en de gsm gebruik maken van de (dominante) rechterhand en wordt in de functie van meteropnemer geen grote aanspraak gedaan op de linkerhandfunctie. De Raad ziet geen reden aan de juistheid van deze vaststellingen te twijfelen. Niet is betwist dat appellant in staat is tenminste af en toe auto te rijden en dat hij ook daadwerkelijk af en toe autorijdt. Niet aannemelijk is gemaakt - bijvoorbeeld door het overleggen van informatie van een behandelend arts - dat dagelijks autorijden te belastend zou zijn. In het licht van het voorgaande verwerpt de Raad de door appellant opgeworpen bezwaren dat hij de handterminal, de zaklantaarn of de gsm niet kan hanteren en niet kan autorijden. Hierbij zij opgemerkt - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 1 februari 2008 (LJN: BC3237) - dat de in het Resultaat Functiebeoordeling (RFB) gehanteerde term “bijzondere belasting” ook in dit geval niet moet worden begrepen als een bijzonder zware belasting.

4.3. Appellant heeft het standpunt ingenomen dat de beperking voor grove trillingen in de weg staat aan het verrichten van de functie van meteropnemer. Dit miskent dat trillingsbelasting niet voorkomt op het RFB van de functie meteropnemer. In de enkele stelling dat appellant bij het autorijden verkeersdrempels en klinkerstraten kan tegenkomen ziet de Raad geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de aan het CBBS ontleende gegevens moeten worden geacht juist te zijn.

4.4. Wat betreft het aspect tillen hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen overwogen dat de hiervoor geldende lichte beperkingen zijn gesteld ter voorkoming van druk in de linker handpalm. De Raad stelt vast dat het CBBS bij de functie van meteropnemer geen signaleringen heeft gepresenteerd op de items tillen, frequent lichte voorwerpen hanteren en zware lasten hanteren. De stelling van appellant dat hij niet in staat is materiaal te verplaatsen volgt de Raad niet. In de functie is tijdens 7 werkuren sprake van drie maal 5 kg en drie maal 10 kg tillen en voorts van ongeveer 1 kg dragen. Nu de bezwaararbeidsdeskundige heeft overwogen dat in de functie geen zware tweezijdige belasting voorkomt, heeft de Raad geen aanleiding op dit punt aan de geschiktheid van de functie te twijfelen.

4.5. Appellant heeft gesteld dat hij vanwege knieklachten niet in staat is meterstanden af te lezen op moeilijk bereikbare plaatsen. De Raad overweegt dat de (bezwaar)verzekeringsarts geen beperking heeft aangenomen voor knielen of hurken. Geknield of gehurkt actief zijn is minder dan 5 minuten achtereen mogelijk.

De (bezwaar)arbeidsdeskundigen hebben in dit verband overwogen dat in de functie van meteropnemer het knielen of hurken van korte duur is en dat het mogelijk is de houding te compenseren door te buigen. De in de functie boven schouderhoogte uit te voeren verrichtingen heeft de (bezwaar)arbeidsdeskundige mogelijk geacht - ondanks de beperking voor boven schouderhoogte werken - omdat het korte reikbewegingen betreft die niet statisch belastend zijn. De Raad volgt de conclusies van de bezwaararbeidsdeskundige dat op deze punten geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid.

4.6. Naar het oordeel van de Raad geven de rapportages van de (bezwaar)arbeidsdes-kundigen - in het bijzonder die van de primaire arbeidsdeskundige - er blijk van dat mede in het oog is gehouden of de totaalbelasting in de functie meteropnemer de belastbaarheid niet te boven gaat. De stelling van appellant dat indien zijn beperkingen in samenhang worden bezien de functie te belastend is, acht de Raad met die rapportages voldoende weerlegd.

4.7. De Raad stelt vast dat alle signaleringen die bij de drie aan de schatting ten grondslag liggende functies zijn gepresenteerd van een inzichtelijke motivering zijn voorzien in de rapportages van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen dan wel de bezwaarverzekeringsarts. Op basis van deze motiveringen is naar het oordeel van de Raad aannemelijk dat appellant per 5 september 2005 in staat is deze drie functies te verrichten. Nu een toereikende onderbouwing van de arbeidskundige grondslag evenwel eerst in hoger beroep heeft plaatsgevonden, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

5. Nu de Raad zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, bestaat geen aanleiding het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente in te willigen.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.288,-, waarvan € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Lochs.

SSw