Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2821

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
06-4064 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Whiplash. Beëindiging ziekengeld. Weigering WAO-uitkering. Ook van belang of appellant voldeed aan de voorwaarden van artikel 43a van de WAO, gelet op de omstandigheden van dit geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4064 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 juni 2006, 05/471 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. J.L.J.M. van de Mortel, advocaat te Leidschendam en tevens arts, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2008. Namens appellant is verschenen mr. Van de Mortel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.G. Bombeeck.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.1. Appellant was sedert 1 april 2002 werkzaam als medewerker amusementscentrum gedurende gemiddeld 26 uur per week. De inkomsten uit die dienstbetrekking werden aanvankelijk gekort op zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO), die sedert 15 september 2002 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Deze uitkering is met ingang van 1 augustus 2003 ingetrokken. Appellant heeft zich op 16 oktober 2003 ziek gemeld na een auto-ongeval. Aan de dienstbetrekking is met ingang van 1 april 2004 van rechtswege een einde gekomen. Op 6 oktober 2004 is appellant voor het laatst in het kader van de Ziektewet (ZW) op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest. Appellant maakte toen met name melding van klachten ten gevolge van een whiplash. Hij was onder behandeling van de GGZ en wachtte op een oproep voor revalidatie. De verzekeringsarts constateerde bij onderzoek dat er geen sprake was van objectieve afwijkingen en verklaarde appellant hersteld met ingang van 11 oktober 2004.

1.2. Inmiddels had appellant op 30 juni 2004 een aanvraag voor een WAO-uitkering bij het Uwv ingediend.

1.3. Bij besluit van 6 oktober 2004 heeft het Uwv appellant bericht dat hij met ingang van 11 oktober 2004 geen recht meer had op ziekengeld ingevolge de ZW omdat toen bij hem met betrekking tot het verrichten van arbeid geen beperkingen (meer) bestonden en hij niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid als halmedewerker. Bij besluit van 8 oktober 2004 heeft het Uwv geweigerd appellant een WAO-uitkering toe te kennen omdat hij vanaf 16 oktober 2003 niet gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest. Appellant heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. In bezwaar is onder meer aangevoerd dat appellant na het ongeval niet alleen een postwhiplash beeld heeft overgehouden, maar ook psychisch is gedecompenseerd. De verzekeringsarts heeft volgens appellant de psychiatrische diagnose gemist. Appellant is blijkens een in bezwaar overgelegd stuk van de GGZ Oost-Brabant op 8 december 2004 opgenomen in het Centrum voor Psychisch Herstel in verband met depressieve klachten sinds de aanrijding. Na een periode van ongeveer 6 weken ter opklaring van de depressieve klachten kon appellant een revalidatietraject in revalidatiecentrum Leijpark gaan volgen. De intake voor de opname in genoemd centrum vond plaats in september 2004, aldus een in beroep overgelegde verklaring van M. Vijftigschild van de GGZ Midden Brabant van 29 november 2005.

1.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft in deze gegevens geen aanleiding gezien voor herziening van de medische grondslag waarop de hersteldverklaring is gebaseerd. Daarbij is overwogen dat de GGZ-brief geen ernstige depressie laat zien met vitale kenmerken op as 1, maar een aanpassingsstoornis met depressieve stemmingen en een Gaf-score van 60. De bezwaarverzekeringsarts handhaaft het oordeel dat appellant op 11 oktober 2004 in staat was het laatst verrichte werk van halmedewerker in amusementscentra uit te oefenen zoals omschreven in de stukken.

1.5. Bij besluit van 10 januari 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt als volgt.

Beëindiging ziekengeld per 11 oktober 2004

3.1.1. De Raad stelt voorop dat, in tegenstelling tot hetgeen in de aangevallen uitspraak is vermeld, namens appellant op 30 november 2005 een vraagstelling van de rechtbank is beantwoord, waarbij een faxbericht van de GGZ Midden-Brabant van 29 november 2005 is gevoegd. Daarop heeft het Uwv gereageerd door toezending van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 23 december 2005, waarop namens appellant bij brief van 6 februari 2006 een nadere reactie aan de rechtbank is ingezonden.

3.1.2. Alle stukken in hun onderlinge samenhang overziende acht de Raad het aannemelijk dat appellant op de datum in geding nog lichamelijke en psychische klachten had. In de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts is echter naar het oordeel van de Raad op toereikende wijze onderbouwd dat die klachten toen niet meer van dien aard waren dat hij daarmee niet zijn werk als medewerker amusementscentrum gedurende 26 uur per week zou kunnen verrichten. De Raad heeft daartoe overwogen dat dit werk, zoals het Uwv in het verweerschrift heeft toegelicht, in de diverse gedingstukken voldoende is omschreven. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in de heroverweging op het bezwaar van appellant zowel de status na whiplashtrauma als de aanpassingsstoornis met depressieve stemming in aanmerking genomen. In de beroepsfase is de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 19 april 2005 ingegaan op een rapport van de verzekeringsarts van 7 april 2005 en op nader, deels via de huisarts van appellant, ontvangen inlichtingen van de behandelend revalidatiearts van 12 januari 2005 en van 3 maart 2005 en van de behandelend neuroloog van 2 februari 2004 en 11 maart 2004. De bezwaarverzekeringsarts zag in deze medische gegevens geen reden om appellant op de datum in geding ongeschikt te achten. Gezien de opname van appellant in een herstelcentrum op 8 december 2004 achtte de bezwaarverzekeringsarts het wel mogelijk dat de beschikbaarheid van appellant later een rol speelt, maar dan doordat hij fysiek niet kan werken door de opname in een herstellingsoord. In rapporten van 15 september 2005 en 23 december 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts een reactie gegeven op de door appellant nader ingebrachte medische stukken, te weten een brief van de behandelend revalidatiearts van 16 augustus 2005, en deskundigenrapporten van de neuroloog dr. J. Vos van 12 maart 2002 en van de psychiater prof.dr. M. Kuilman betreffende een onderzoek van 7 augustus 2002, uitgebracht aan de rechtbank Breda, sector handelszaken.

De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens de stukken kennis genomen van de opname van appellant in een herstelcentrum op 8 december 2004, maar ziet hierin geen reden om tot een ander oordeel over de geschiktheid van appellant voor zijn werk per 11 oktober 2004 te komen. De medische argumenten en gegevens die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, hebben de Raad er niet van kunnen overtuigen dat er grond is voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen over de gezondheidstoestand van appellant op de datum hier in geding, 11 oktober 2004.

3.1.3. De Raad concludeert dan ook dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 2004 ongegrond is verklaard, terecht ongegrond heeft verklaard.

Weigering WAO-uitkering

3.2. Naar aanleiding van de aanvraag van appellant voor een WAO-uitkering heeft geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Het Uwv heeft volstaan met vast te stellen dat appellant niet gedurende de wettelijke wachttijd van 52 weken, zoals destijds voorgeschreven in artikel 19, tweede lid, van de WAO, onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Daarmee heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad miskend dat hij naar aanleiding van de WAO-aanvraag van appellant niet alleen had te onderzoeken of de wachttijd van 52 weken was vervuld. In dit verband is evenzeer van belang of appellant voldeed aan de voorwaarden van artikel 43a van de WAO, gelet op de omstandigheden van dit geval. Nu daarop gericht onderzoek achterwege is gebleven en terzake geen besluit is genomen, stelt de Raad vast dat het besluit van 8 oktober 2004 in zoverre geen adequate reactie is op de WAO-aanvraag van appellant. Dit betekent dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 8 oktober 2004 ongegrond is verklaard, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen en om die reden niet in stand kan blijven. De aangevallen uitspraak komt dan ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv dient een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 oktober 2004 te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

3.3. Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 8 oktober 2004 ongegrond is verklaard, zal vernietigen, het beroep tegen het bestreden besluit in zoverre gegrond zal verklaren en het bestreden besluit in zoverre zal vernietigen.

4. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.127,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 8 oktober 2004 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit in zoverre gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 8 oktober 2004 neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.127,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Rijnen.

SSw