Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
06-6061 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag: plichtsverzuim. Psychisch defect dat niet door het alcoholgebruik zelf is veroorzaakt. Geen medewerking verleend aan second opinion.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6061 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 september 2006, 06/812 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: college)

Datum uitspraak: 8 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verwezen naar het bij de rechtbank ingediende verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2008. Namens appellant is verschenen mr. I.M.A. Bruls-van Strien, advocaat te Nijmegen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.P.M. Duijf en [naam vertegenwoordiger], beiden werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als parkeercontroleur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, bij de gemeente Arnhem.

1.2. Op 12 juni 2004 heeft appellant twee politieagenten bedreigd met zware mishandeling. De politierechter heeft hem hieraan schuldig verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel.

Voorts heeft appellant op 24 oktober 2004 een personenauto bestuurd onder invloed van alcohol. De politierechter heeft hem om die reden wegens overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 700,- en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk.

1.3. Nadat appellant zijn zienswijze had gegeven over het voornemen daartoe, heeft het college appellant bij besluit van 4 mei 2005, gelet op diens onder 1.2. vermelde gedragingen, wegens ernstig plichtsverzuim met toepassing van artikel 8:13 van de Arbeidsvoorwaarden Gemeente Arnhem met ingang van 10 mei 2005 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Bij het bestreden besluit van 23 december 2005 heeft het college dit ontslagbesluit na door appellant daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het college heeft in dit geval aanleiding gezien om alvorens tot strafontslag over te gaan de psychiater R de vraag voor te leggen of het overmatig alcoholgebruik van appellant is toe te schrijven aan een niet door alcoholgebruik veroorzaakt psychisch defect. Het door deze psychiater hierop gegeven, in de aangevallen uitspraak in zijn geheel geciteerde, antwoord houdt onder meer in dat het overmatig alcoholgebruik van appellant kan worden toegeschreven aan stressgerelateerde psychische klachten in de vorm van milde depressieve klachten en verminderde impulscontrole; deze klachten ontstonden als gevolg van een aantal ingrijpende life-events.

Op verzoek van de bezwarencommissie die het college heeft geadviseerd over het door appellant gemaakte bezwaar, heeft de bedrijfsarts zich tot de psychiater R gewend met een verzoek om verduidelijking van zijn antwoord. In een e-mailbericht van 30 augustus 2005 heeft de bedrijfsarts, na die ochtend contact te hebben gehad met de psychiater R, een door de bedrijfsarts opgesteld maar volgens hem door die psychiater geaccordeerde herformulering van diens antwoord opgenomen. Deze in de aangevallen uitspraak volledig geciteerde herformulering houdt onder meer in dat appellant ten tijde van het alcoholmisbruik in een zogenaamd psychiatrisch toestandsbeeld verkeerde; dit is volgens psychiater R een psychisch defect te noemen dat niet door het alcoholgebruik zelf is veroorzaakt.

Omdat het college aldus niet een helder, eenduidig antwoord had gekregen op de door hem van belang geachte vraag over de oorzaak van het alcoholgebruik van appellant, heeft het college appellant gevraagd om ter verkrijging van een second opinion medewerking te verlenen aan een onderzoek door de psychiater M. Appellant heeft deze medewerking evenwel geweigerd, daartoe stellende dat er geen enkele medische noodzaak bestond voor het vragen van een second opinion.

Het college heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

3.2. De Raad verwerpt de stelling van appellant dat het niet aan het college was om te bepalen dat er behoefte bestond aan een nader medisch onderzoek omdat alleen een medicus dit zou kunnen beoordelen. Immers, nu het college het voor strafontslag van appellant noodzakelijk achtte dat de onder 3.1. vermelde vraag aan de psychiater R werd beantwoord en nu het college zelf verantwoordelijk was voor het al dan niet nemen van een ontslagbesluit, diende ook het college te beoordelen of het gegeven antwoord duidelijk was en verenigbaar met de daaraan ten grondslag gelegde gegevens en argumenten. Voorts heeft het college zich met recht op het standpunt kunnen stellen dat van dit laatste geen sprake was. In het bijzonder kon voor het college de vraag zijn of de door de bedrijfsarts opgestelde herformulering van het antwoord van de psychiater R wel aansloot bij zijn eerdere antwoord. In het licht hiervan mocht van appellant medewerking worden verwacht bij het verkrijgen van een second opinion van een andere psychiater. Nu appellant deze medewerking heeft geweigerd zonder daarvoor een genoegzame grond aan te voeren, dient voor zijn rekening en risico te komen dat geen eenduidig en overtuigend antwoord is verkregen op de door het college gestelde vraag.

3.3. Aangezien uit de overige beschikbare gegevens niet blijkt dat de door het college aan de psychiater R gestelde vraag slechts bevestigend kan worden beantwoord, faalt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak komt dus voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD

Q