Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2789

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
06-6687 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening: geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6687 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van

[Verzoeker], (hierna: verzoeker),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 oktober 2006, 05/3470 AW, 05/7403 AW en 06/791 AW, op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 mei 2005, 04/2431,

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: minister)

Datum uitspraak: 22 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bij brief van 15 november 2006 verzocht om herziening van bovenvermelde uitspraak.

Namens de minister is op het verzoekschrift gereageerd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 april 2008, waar verzoeker is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.C. van Eck, werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.1. Verzoeker was werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Bij besluit van 6 mei 2002 is hem met ingang van 1 september 2002 ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn ambt anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken. Nadat een eerder besluit op bezwaar was vernietigd wegens bevoegdheidsgebreken, heeft de minister bij besluit van 11 mei 2004 het door verzoeker gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 mei 2005 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 mei 2004 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

2.2. De minister is tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Nadat de voorzieningenrechter van de Raad de minister bij uitspraak van 23 januari 2006 had opgedragen een nieuw besluit te nemen, heeft de minister bij besluit van 30 januari 2006 het ontslag per 1 september 2002 wederom gehandhaafd, primair op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) en subsidiair op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR.

Een verzoek van verzoeker tot het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot het besluit van 30 januari 2006 is door de voorzieningenrechter van de Raad bij uitspraak van 28 februari 2006 afgewezen.

2.3. Bij de uitspraak van 26 oktober 2006 waarvan thans herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van verzoeker tegen het besluit van 11 mei 2004 ongegrond verklaard, het beroep tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het nieuwe besluit op bezwaar van 30 januari 2006 vernietigd. Tevens heeft de Raad het verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft geen gewoon rechtsmiddel opengestaan.

3. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van door verzoeker aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

3.1. Verzoeker stelt dat de Raad in zijn uitspraak van 26 oktober 2006 uit de beschikbare gegevens onjuiste conclusies heeft getrokken. Naar de mening van verzoeker is dit een nieuw feit, omdat hij daarvan pas na ontvangst van de uitspraak kennis heeft kunnen nemen. Daarnaast vindt verzoeker het niet terecht dat zijn grief, inhoudende dat de hoorcommissie niet volgens de interne regels was samengesteld, niet is besproken, omdat die te laat zou zijn ingebracht.

3.2. Ten aanzien van het door de Raad buiten bespreking laten van laatstgenoemde grief overweegt de Raad dat verzoeker erkent dat de onjuiste samenstelling van de hoor-commissie hem reeds voor de uitspraak van 26 oktober 2006 bekend was. In zoverre is dus geen sprake van een nieuw feit of nieuwe omstandigheid als onder 1. bedoeld. Dat dit feit, indien dat verzoeker pas na de uitspraak bekend zou zijn geworden, wel tot een herzieningsverzoek had kunnen leiden, zoals door verzoeker is gesteld, kan, wat daar verder ook van zij, onbesproken blijven omdat die situatie zich hier niet voordoet.

3.3. De overige door verzoeker naar voren gebrachte argumenten hebben alle de strekking de juistheid van de uitspraak van de Raad in twijfel te trekken op inhoudelijke gronden en betreffen geen nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 8:88 van de Awb. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak. Het verzoek om herziening moet om die reden worden afgewezen. Nu de uitspraak van

26 oktober 2006 in stand blijft, is er geen reden voor toekenning van de door verzoeker gevraagde schadevergoeding.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) K. Moaddine.

HD