Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2783

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
06-6168 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tweedegeneratie-oorlogsslachtoffer. Vermindering bijdrage huishoudelijke hulp. Thuiszorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6168 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 22 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 28 september 2006, onderwerp BZ 46369 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2008. Appellante is daar in persoon verschenen met bijstand van mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1961, is met toepassing van artikel 3, tweede lid (oud), van de Wet als zogenoemd tweedegeneratie-oorlogsslachtoffer met de vervolgde gelijkgesteld. Hierbij is aanvaard dat de psychische klachten van appellante in overwegende mate in verband staan met de vervolging van haar moeder. Aan appellante is een periodieke uitkering toegekend. Daarnaast is haar ingaande 1 januari 1999 een vergoeding toegekend voor extra huishoudelijke hulp, maximaal 4 uren per week, tot het gehanteerde normbedrag van, laatstelijk, € 7,90 per uur.

1.2. Bij brief van 28 april 2006, behorende bij een berekeningsbeschikking van 31 mei 2006, heeft verweerster aan appellante mededeling gedaan van haar besluit, samengevat, om ingaande 1 mei 2006 niet meer 4 x € 7,90 per week voor huishoudelijke hulp te betalen, maar 1 x € 7,90 + de blijkens declaratie ingevolge de AWBZ verschuldigde eigen bijdrage voor 3 uren in de vorm van thuiszorg aan appellante geleverde huishoudelijke hulp.

1.3. In bezwaar tegen dit besluit is namens appellante in hoofdzaak aangevoerd dat deze nieuwe wijze van vergoeden meebrengt dat appellante ongeveer € 25,- per maand minder ontvangt voor huishoudelijke hulp, en dat deze vermindering als aantasting van verkregen rechten is te beschouwen nu appellante, zoals al in 2000 bij de aanvraag was opgegeven, steeds twee soorten van huishoudelijke hulp naast elkaar heeft gehad, te weten 6 uren per week particuliere hulp en ongeveer 3 uren per week thuiszorg. Daarnaast is er nog op gewezen dat de hulp via de thuiszorg onregelmatig en rommelig verloopt.

1.4. Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen, samengevat, dat aanvankelijk tegemoet was gekomen aan de eerder geldende situatie dat appellante niet kon rekenen op hulp via de thuiszorg. Aangezien de door appellante overgelegde declaraties van de thuiszorg nu uitwijzen dat deze hulp het laatste anderhalf jaar vrijwel steeds drie uur per week is geweest, bestaat geen reden meer voor een betaling die niet aansluit bij de feitelijke situatie en de daaruit voortvloeiende werkelijke kosten. In een begeleidende brief is, in reactie op een melding namens appellante dat de thuiszorg per 11 september 2006 was gestopt met het werk, aangegeven dat bij wijziging van de thuiszorgsituatie een nieuwe beoordeling zal plaatsvinden.

1.5. In beroep heeft appellante haar in bezwaar naar voren gebrachte grieven gehandhaafd. Hierbij is aangegeven, en met overzichten gestaafd, dat vanaf april 2006 de thuiszorg alweer onregelmatig was.

2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

2.1. Uit het bepaalde in artikel 20 van de Wet blijkt dat het bij de vergoeding van medische noodzakelijke voorzieningen gaat om extra te maken kosten die blijvend ten laste komen van de vervolgde. Verder bestaat ingevolge artikel 57 de gehoudenheid om die kosten zoveel mogelijk eerst ten laste te brengen van de voor eenieder geldende wettelijke voorzieningen. Verweerster gaat er daarom in een geval als dit terecht vanuit dat eerst de eigen bijdrage voor de thuiszorg wordt vergoed en pas daarna eventuele particuliere hulp.

2.2. Gelet op de beschikbare declaraties over de laatste anderhalf jaar kon en mocht verweerster naar het oordeel van de Raad ten tijde van de onder 1.2. genoemde besluitvorming concluderen dat inmiddels bij de levering van thuiszorg de nodige stabiliteit was ontstaan. Dat het verweerster op dat moment niet meer zou vrijstaan om de wijze van vergoeding aan te passen aan de werkelijke situatie, nadat eerst rekening was gehouden met een situatie waarin die stabiliteit niet bestond, kan de Raad niet inzien. Mede in aanmerking genomen de door verweerster uitgesproken bereidheid om met nieuwe ontwikkelingen in de thuiszorgsituatie rekening te houden, kan de Raad niet onrechtmatig oordelen dat verweerster ten tijde van het bestreden besluit nog steeds ervan is uitgegaan dat de gewenste stabiliteit in dat opzicht was bereikt. Hierbij herhaalt de Raad echter wel uitdrukkelijk de in zijn eerdere uitspraak tussen partijen van 6 april 2006, nr. 05/3817 WUV, over dit onderwerp gegeven overweging, inhoudende dat appellante in een kwetsbare positie verkeert, waarin het regelmatig beschikken over huishoudelijke hulp van groot belang is voor haar sociaal functioneren en haar psychische gezondheid. Dit brengt mee dat bij eventueel opnieuw optredende onzekerheid over de feitelijke aanspraken elders een stabiele oplossing op grond van de Wet, waarbij pas achteraf wordt afgerekend, geboden zal zijn.

2.3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

3. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD