Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2779

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
07/3778 MPW, 07/3779 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening invaliditeitspensioen met WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3778 MPW + 07/3779 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 juni 2007, 05/5554 en 06/1924 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris),

Datum uitspraak: 22 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2008. Voor appellant is verschenen mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Geurst, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP te Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

1.1. Appellant, geboren in april 1973, is in februari 1993 aangesteld bij het beroepspersoneel voor bepaalde tijd bij de Koninklijke marine. Van januari 1996 tot juli 1996 is hij uitgezonden geweest naar Bosnië. Na daartoe een verzoek te hebben ingediend, is appellant op 8 februari 1997 eervol ontslagen. Daarna heeft appellant voor een uitzendbureau gewerkt en sedert oktober 1998 werkte hij in vaste dienst bij BTL Uitvoering. Op 3 september 1999 is hij vanwege een psychische decompensatie definitief voor zijn werk uitgevallen. Bij brief van 8 november 1999 heeft appellant de staatssecretaris om een militair geneeskundig onderzoek verzocht opdat de mate van zijn invaliditeit met dienstverband kon worden vastgesteld.

1.2. Met ingang van 25 augustus 2000 is aan appellant door de GUO-Uitvoerings-instelling een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% alsmede een aanvullende uitkering tot 100% van het laatst verdiende loon in het eerste jaar en tot 80% van het laatst verdiende loon in het tweede jaar.

1.3. Bij besluit van 15 augustus 2002 heeft de staatssecretaris aan appellant met terugwerkende kracht tot 10 november 1998 een invaliditeitspensioen (IP) toegekend. Daarbij is tevens bepaald dat de uitbetaling van dat pensioen over de periode 25 augustus 2000 tot 1 augustus 2002 achterwege zal blijven aangezien appellant in die periode een bovenliggende WAO-uitkering heeft ontvangen.

1.4. Bij besluit van gelijke datum heeft de staatssecretaris aan appellant met terug-werkende kracht tot 1 september 2000 een arbeidsongeschiktheidspensioen (AOP) toegekend. Ook bij dit besluit en op dezelfde grond is aangegeven dat dit pensioen in de periode 25 augustus 2000 tot 1 augustus 2002 niet tot uitbetaling komt.

1.5. Appellant heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 juni 2005 is dat bezwaar - voor zover hier van belang - ongegrond verklaard en heeft de staatssecretaris zijn standpunt gehandhaafd dat het AOP en het IP van appellant over de periode 25 augustus 2000 tot 1 augustus 2002 terecht volledig zijn gekort.

2. Bij de aangevallen uitspraak en voor zover hier van belang heeft de rechtbank het standpunt van de staatssecretaris onderschreven en geoordeeld dat het aan appellant toegekende IP met toepassing van artikel 7 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (hierna: Besluit) op goede gronden is verrekend. De rechtbank heeft het beroep van appellant in zoverre ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich met dat oordeel niet kunnen verenigen. In hoger beroep heeft hij daartoe - zich uitdrukkelijk tot dit punt beperkend - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de nieuwe regelgeving op basis van de Kaderwet militaire pensioenen (hierna: Kaderwet). Volgens appellant is op zijn situatie nog steeds de inmiddels vervallen verklaarde Algemene militaire pensioenwet (Amp) van toepassing. Onder verwijzing naar de beantwoording van de staatssecretaris van kamervragen naar aanleiding van het notaoverleg personeelsbeleid van 23 november 2004 meent appellant dat artikel V4 van de Amp eraan in de weg staat dat zijn IP met zijn WAO-uitkering wordt verrekend. Blijkens die beantwoording wordt op een IP dat eerder is toegekend dan een WAO-uitkering geen verrekening toegepast.

4. De staatssecretaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Met ingang van 1 juni 2001 is de Kaderwet in werking getreden en is de Amp ingetrokken. Op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Kaderwet is het Besluit vastgesteld. Aan appellant is bij besluit van 15 augustus 2002, dus ruim na de datum van inwerkingtreding van het Besluit, met terugwerkende kracht tot 10 november 1998 een IP toegekend. Aangezien de Kaderwet en het Besluit voor gevallen als dat van appellant geen regels van overgangsrecht bevatten is de toekenning van het IP gebeurd met toepassing het Besluit.

5.2. Hieruit volgt dat de staatssecretaris terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 7, derde lid, van het Besluit waarin wordt bepaald dat het IP moet worden verrekend met de som van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en het AOP.

Het hoger beroep kan niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD