Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2747

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
07-1381 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Berekeningsbeschikking: Korting in verband met inkomsten uit vermogen en inkomsten in verband met WAO-uitkering. Besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1381 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 22 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 22 februari 2007, onderwerp BZ46738, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2008. Appellant is daar met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren [in] 1962, is blijkens de gedingstukken door verweerster gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wet en met ingang van 1 december 1999 in aanmerking gebracht voor onder andere een periodieke uitkering. Per ingangsdatum van die periodieke uitkering is het vermogen van appellant vastgesteld op € 57.325,04.

2. Naar aanleiding van de berekeningsbeschikking van 30 november 2006 heeft appellant bij verweerster bezwaar gemaakt tegen de toegepaste korting in verband met inkomsten uit vermogen en inkomsten in verband met zijn WAO-uitkering. Appellant heeft daarbij naar voren gebracht dat hij geen vermogen meer bezit aangezien hij een huis in Spanje heeft gekocht en dat zijn WAO-uitkering sinds 28 april 2006 niet meer uitbetaald wordt.

3. Bij het thans bestreden besluit van 22 februari 2007 heeft verweerster het bezwaar van appellant met betrekking tot de vaststelling van het vermogen en de vermogensinkomsten niet-ontvankelijk, en met betrekking tot de korting in verband met de WAO-uitkering ongegrond verklaard, op de grond dat in de berekeningsbeschikking van 30 november 2006 geen nieuwe of nadere beslissing is genomen over het vermogen waarnaar de vermogensinkomsten worden vastgesteld en de WAO-uitkering met ingang van 1 mei 2006 niet meer in mindering wordt gebracht op de periodieke uitkering.

4. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Evenals door verweerster in het bestreden besluit van 22 februari 2007 is verwoord, is de Raad van oordeel dat in de berekeningsbeschikking van 30 november 2006 met betrekking tot de omvang en de berekening van het voor de Wet in aanmerking te nemen vermogen geen nieuwe of nadere beslissing is genomen. Op dit punt ligt derhalve geen (zelfstandig) besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor, zodat op grond van het bepaalde in artikel 7:1 van de Awb het rechtsmiddel van bezwaar niet openstond. Verweerster heeft het bezwaar van appellant in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard. Blijkens de gedingstukken is bij primair besluit van 22 juli 2007 beslist over het verzoek van appellant tot vermindering van de korting in verband met inkomsten uit vermogen, tegen welk besluit appellant bezwaar heeft gemaakt.

4.2. Het door appellant gemaakte bezwaar tegen de verrekening van zijn WAO-uitkering is voorts terecht ongegrond verklaard. Immers uit de berekeningsbeschikking van 30 november 2006 blijkt dat verweerster met ingang van 1 mei 2006, dus direct na het beëindigen van de WAO-uitkering, die uitkering van appellant niet meer met zijn periodieke uitkering heeft verrekend.

5. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD