Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2724

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
06-3996 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Groepsleerkracht basisschool. Vermoeidheidsklachten en ongevallen. Intrekking (volledige) WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3996 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 juni 2006, 05/2718 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 20 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.E. Crone, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 maart 2008 heeft mr. C.H.J. Voncken, eveneens werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, als opvolgend gemachtigde, nadere medische stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Hofmans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, werkzaam als groepsleerkracht op een basisschool, heeft zich in 1999 wegens vermoeidheidsklachten ziek gemeld. In verband hiermee is zij met ingang van 29 mei 2000 in het genot gesteld van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Op 12 januari 2001 is appellante een sportongeval overkomen en op 11 augustus 2001 heeft zij een auto-ongeluk gehad. Als gevolg van deze ongevallen heeft appellante nek- en schouderklachten gekregen.

1.3. In het kader van een herbeoordeling is appellante onderzocht door verzekeringsarts J.N.M. van Gent-Martinet. Deze verzekeringsarts heeft in overleg met appellante besloten de beoordeling op te schorten tot het reeds geplande neuropsychologische onderzoek in het UMC Radboud te Nijmegen zou hebben plaatsgevonden. Na ontvangst van de rapportage betreffende dit onderzoek heeft de verzekeringsarts de beperkingen en mogelijkheden met betrekking tot het functioneren van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 juni 2004.

Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 21 juni 2004 heeft de arbeidsdeskundige C. Luiten een aantal functies geselecteerd en het verlies aan verdienvermogen van appellante berekend op 12,25%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 28 juni 2004 de WAO-uitkering van appellante met ingang van

29 augustus 2004 ingetrokken.

2. In de bezwaarprocedure heeft appellante aangegeven dat het onderzoek door de verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, en heeft zij informatie van de haar behandelende specialisten ingezonden. De bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers heeft in zijn rapport van 9 mei 2005 geconcludeerd dat de gegevens met betrekking tot appellante zodanig gerapporteerd zijn dat er een duidelijk beeld gevormd kan worden van de belastbaarheid van appellante op het onderzoeksmoment en dat deze weergave van de beperkingen zoals weergegeven in de FML voldoende wordt gedragen door de medisch objectiveerbare gegevens. De primaire verzekeringsgeneeskundige beoordeling wordt door de bezwaarverzekeringsarts gedeeld. De bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg heeft in haar rapport van 28 juni 2005 gesteld dat er geen reden is de geduide functies niet passend te achten. Het Uwv heeft vervolgens het bezwaar bij het bestreden besluit van 30 juni 2005 ongegrond verklaard.

3.1. In de beroepsprocedure bij de rechtbank is door appellante ter onderbouwing van haar standpunt onder meer het rapport van klinisch psycholoog drs. W.D. van der Zwaag, verbonden aan het Whiplash Instituut Nederland (WIN) van 25 oktober 2005, en het onderzoeksrapport van Praktijk Lange Voorhout uit 2001 ingezonden. De bezwaarverzekeringsarts M. Carere heeft op 14 december 2005 gereageerd op deze rapportages. Hierbij is door deze bezwaarverzekeringsarts tevens aangegeven dat er geen medische reden is af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. De klinisch psycholoog heeft bij brief van 26 januari 2006 gereageerd op het gestelde door de bezwaarverzekeringsarts.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in haar uitspraak de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Ten aanzien van de in beroep overgelegde medische informatie van onder andere het WIN heeft de rechtbank onder verwijzing naar het rapport van bezwaarverzekeringsarts Carere geoordeeld, dat de stelling van appellante dat zij vanwege fysieke en psychische redenen meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen, in voldoende mate is weerlegd. Tevens heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4. In hoger beroep is door appellante aangevoerd – kort samengevat – dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met haar klachten en dat zij om die reden ook niet in staat is om de haar geduide functies te vervullen. Met name wordt, naar de mening van appellante, voorbijgegaan aan de beperkingen die zijn opgenomen in het rapport van het WIN. Tevens is, onder verwijzing naar de gronden van beroep, aangevoerd dat het Uwv totaal voorbij is gegaan aan de beperkingen met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren, alsmede dat ten onrechte geen urenbeperking is toegepast. Ten aanzien van de geduide functies is aangevoerd dat de functie van artsenbezoeker voor appellante niet geschikt is aangezien in deze functies 50 procent van de tijd zittend in de auto wordt doorgebracht, hetgeen voor iemand met rugklachten te zwaar is. De functie van statistisch analist wordt evenmin geschikt geacht.

5.1. De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen de beschikking over recente informatie uit de behandelende sector en ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat deze artsen onvoldoende zorgvuldig onderzoek hebben verricht naar de belastbaarheid van appellante. Het van de zijde van appellante ingebrachte rapport van het WIN heeft de Raad niet tot de overtuiging kunnen brengen dat de beperkingen van appellante ook op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren onjuist zijn vastgesteld. De Raad merkt hierbij op dat deze rapportage ruim een jaar na de datum in geding, 29 augustus 2004, is opgemaakt, terwijl informatie waarop de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv hun standpunt op hebben gebaseerd dichter bij deze datum ligt.

5.2. De Raad ziet in de informatie, afkomstig van de behandelend sector, ook overigens geen aanknopingspunt voor de juistheid van appellantes betoog dat ten onrechte geen beperkingen zijn vastgesteld met betrekking tot persoonlijk en sociaal functioneren.

5.3. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv terecht geen aanleiding gezien om ten aanzien van appellante een urenbeperking toe te passen. De Raad kan onderschrijven hetgeen de bezwaarverzekeringsarts daarover in zijn rapport van 9 mei 2005, toetsend aan de standaard Verminderde arbeidsduur, heeft overwogen.

5.4. Ten aanzien van de stelling dat de functie van artsenbezoeker voor appellante niet geschikt is te achten vanwege het autorijden, merkt de Raad op dat appellante blijkens de FML in staat wordt geacht 2 uur achtereen te zitten, en niet beperkt is op het aspect vervoer (waaronder autorijden). Voorzover appellante stelt dat autorijden te belastend is in verband met het boven schouderhoogte actief zijn overweegt de Raad, dat daarvoor in de gedingstukken geen objectief medische basis kan worden gevonden. De grief van appellante dat de functie van statistisch analist haar energetische belastbaarheid overschrijdt slaagt niet. Appellante baseert zich op ervaringen in een vergelijkbare functie. Hoewel de Raad niet kan afdoen aan de subjectieve beleving daarvan door appellante, moet de Raad vaststellen dat appellante terecht niet beperkt is geacht in arbeidsduur, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de functie in dat opzicht binnen haar mogelijkheden ligt.

5.5. Mede gelet op het bovenstaande heeft de Raad geen aanleiding gezien een (onafhankelijke) deskundige te benoemen voor nader onderzoek.

6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Rechtdoende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.D.F. de Moor.

JL