Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
06-4523 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door appellant gestelde schade is niet terug te voeren op enig als onrechtmatig aan te merken besluit van het Uwv. De bestuursrechter komt in zoverre geen oordeel toe omdat uitsluitend de burgerlijke rechter daartoe bevoegd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4523 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2006, 05/2910 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2008.

Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontving in verband met uitval voor zijn werk als magazijnmedewerker in 1976 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Bij besluit van 24 maart 2004 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 1 mei 2004 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het Uwv met terugwerkende kracht tot 15 mei 2002 de inkomsten uit arbeid van appellant op zijn WAO-uitkering in mindering gebracht met toepassing van artikel 44 van de WAO. De als gevolg hiervan aan appellant over de periode van 15 mei 2002 tot en met 31 maart 2004 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering heeft het Uwv bij besluit van 2 april 2004 van appellant teruggevorderd.

2. Het Uwv heeft de bezwaren tegen de besluiten van 24 maart 2004 en 2 april 2004 gegrond en het bezwaar tegen het besluit van 30 maart 2004 ongegrond verklaard. Bij dit besluit op bezwaar van 5 oktober 2004 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 mei 2004 onveranderd op 65 tot 80% vastgesteld, onder aankondiging van een nader besluit tot verrekening van de inkomsten uit arbeid, en per 5 oktober 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, onder gelijktijdige beëindiging van de anticumulatie. Voorts heeft het Uwv besloten de als gevolg van de -na bezwaar gehandhaafde- anticumulatie van de inkomsten uit arbeid over de periode van

15 mei 2002 tot en met 31 maart 2004 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering niet van appellant terug te vorderen, omdat appellant bij diverse gelegenheden schriftelijk was bericht dat de door hem genoten inkomsten niet van invloed waren op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering

3. Het beroep tegen dit besluit van 5 oktober 2004 is bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2005 ongegrond verklaard.

4. Bij brief van 15 november 2004 heeft appellant het Uwv bericht dat hij destijds als gevolg van de door het Uwv schriftelijk bevestigde juistheid van zijn arbeidsongeschikt-heidsuitkering (naast zijn inkomsten uit arbeid) een particuliere lening heeft afgesloten en deze lening als gevolg van de correctie van zijn WAO-uitkering niet langer meer kan aflossen. Appellant heeft het Uwv aansprakelijk gesteld voor de schade, bestaande uit het restbedrag van de lening ten bedrage van circa € 6.500,-.

5. Bij besluit van 4 augustus 2005 heeft het Uwv appellant bericht geen aanleiding te zien om tot schadevergoeding over te gaan omdat de persoonlijke lening die appellant heeft afgesloten niet het rechtstreeks onmiddellijk gevolg is van het bij het besluit op bezwaar van 5 oktober 2004 ingetrokken besluit van 24 maart 2004. Immers het aangaan van een lening is een persoonlijke afweging die los staat van een besluit van het Uwv omtrent de hoogte van inkomsten. Weliswaar speelt bij de hoogte van de lening het inkomen een rol maar het besluit om een persoonlijke lening aan te gaan berust op persoonlijke motieven en staat los van de beslissing van het Uwv, zodat de causaliteit ontbreekt.

6. Appellant heeft in bezwaar aangevoerd dat hij de aansprakelijkheid van het Uwv niet baseert op de in het besluit van 4 augustus 2005 genoemde beslissingen maar op het feit dat er twee jaar schriftelijk door het Uwv is bevestigd dat het (verkeerde) inkomen correct was.

7. Bij het besluit op bezwaar van 10 november 2005, hierna: bestreden besluit, heeft het Uwv het besluit van 4 augustus 2005 gehandhaafd en daartoe opgemerkt dat de gestelde schade niet is aangetoond en onderbouwd en dat tussen de gepretendeerde schade en de besluiten van het Uwv geen causaal verband bestaat.

8. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv weliswaar onrechtmatig heeft gehandeld maar dat uit de onrechtmatige besluitvorming geen schade is ontstaan voor appellant nu het Uwv heeft besloten de als gevolg van de onrechtmatige besluiten teveel ontvangen uitkering niet terug te vorderen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, zo het restant aflossingsbedrag van de lening wel als schade dient te worden aangemerkt, het causale verband ontbreekt met het als onrechtmatig erkende besluit. Het aangaan van een lening dient voor rekening en risico van appellant te blijven.

9.1. De Raad overweegt als volgt.

9.2. Appellant noemt als oorzaak van de door hem geleden schade de schriftelijke bevestigingen van het Uwv in 2002 dat zijn uitkering in relatie tot de door appellant opgegeven inkomsten uit arbeid correct zou zijn. De Raad stelt daarmee vast dat de door appellant gestelde schade niet is terug te voeren op enig als onrechtmatig aan te merken besluit van het Uwv.

9.3. Voor zover de gestelde schade zou zijn terug te voeren op vermeend onrechtmatig handelen van het Uwv, overweegt de Raad, anders dan de rechtbank, dat de bestuursrechter in zoverre geen oordeel toekomt omdat daartoe uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is.

9.4. Hetgeen is overwogen onder 9.1 tot en met 9.3 brengt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

10. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Rijnen.

SSw