Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2705

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
06-594 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Cateringmedewerkster. Nek-, schouder- en hoofdklachten samenhangend met een whiplashletsel. Herziening (volledige) WAO-uitkering naar een mate 15 to 25 %. Primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek door een verzekeringsarts i.o. is niet voldoende.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/594 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 december 2005, 05/1708 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H.O. de Haas, juridisch medewerker bij Bouwman en Van Dommelen advocaten te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J. Eerbeek, advocaat en kantoorgenoot van mr. De Haas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als cateringmedewerkster toen zij zich op 1 maart 2000 ziek meldde met nek-, schouder- en hoofdklachten samenhangend met een whiplashletsel. In verband daarmee is haar per 28 februari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.1. Op 11 maart 2005 is appellante in het kader van een herbeoordeling onderzocht door verzekeringsarts in opleiding (i.o.) M.S. van der Spek. Deze stelde op basis van eigen onderzoek en informatie van de huisarts en de bedrijfsarts de diagnose nek- en schouderklachten en duizeligheid, nam in verband daarmee beperkingen aan en legde deze vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst. Vervolgens selecteerde een arbeidsdeskundige functies met behulp van het Claim Beoordelings en Borgings Systeem en berekende het verlies aan verdiencapaciteit van appellante op 0%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 2 mei 2005 de WAO-uitkering van appellante per 28 juni 2005 ingetrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 7 juni 2005 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.2. Hangende het beroep tegen bestreden besluit 1 heeft het Uwv op 10 november 2005 een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen, waarbij de WAO-uitkering van appellante per 28 juni 2005 is herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse

15 tot 25%.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd met de bepaling dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed. Het beroep dat gericht is geacht tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

3. Namens appellante is in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat de informatie van de huisarts aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen, waaronder een urenbeperking. Appellante stelt zich op het standpunt dat het primaire onderzoek gebreken vertoont, omdat dit is verricht door een verzekeringsarts i.o. en dat deze gebreken in bezwaar niet zijn geheeld. Voorts stelt appellante de geselecteerde functies niet te kunnen vervullen vanwege overschrijding van haar belastbaarheid en omdat zij niet over de noodzakelijke diploma’s beschikt.

4.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2.

4.2. Voorts stelt de Raad vast dat niet in geding is dat het primaire verzekeringsgenees-kundige onderzoek is verricht door een verzekeringsarts i.o. Dit betekent dat deze arts nog niet was geregistreerd als verzekeringsarts. In zijn uitspraken van 18 juli 2007 (LJN: BA9904, BA9905, BA9908, BA9909 en BA9910) heeft de Raad overwogen dat registratie als verzekeringsarts in beginsel borg staat voor een zekere kwaliteit en dat, zolang die registratie niet heeft plaatsgevonden, er in beginsel niet van kan worden uitgegaan dat de kwaliteit van het onderzoek van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts voldoende is gewaarborgd. Voorts heeft de Raad geoordeeld dat een dergelijk gebrek in de bezwaarfase kan worden hersteld.

4.3. De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval dit gebrek in de bezwaarfase niet is hersteld. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellante heeft afgezien van een hoorzitting omdat haar door een medewerker van het Uwv was meegedeeld dat daar geen nader medisch onderzoek zou plaatsvinden. Het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts is dan ook uitsluitend gebaseerd op dossieronderzoek. Naar het oordeel van de Raad is dit bij een primair medisch onderzoek door een verzekeringsarts i.o. in beginsel niet voldoende. In dit geval lag het op de weg van de bezwaarverzekeringsarts appellante op te roepen voor een medisch onderzoek, mede omdat appellante daar kennelijk prijs op stelde. Dat appellante in bezwaar geen nadere medische informatie heeft overgelegd, kan daar in een geval als het onderhavige niet aan afdoen.

5. De conclusie uit de overwegingen 4.2. en 4.3. is dat bestreden besluit 2 berust op een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Dit besluit dient dan ook wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard niet in stand kan blijven. Het Uwv zal opnieuw op het bezwaar van appellante moeten beslissen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand. De door appellante verzochte vergoeding van kosten van een medische verklaring wijst de Raad af, nu appellante deze kosten niet heeft geconcretiseerd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

SSw