Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2702

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
06-4215 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Het Uwv had duidelijker dienen te motiveren waarom ten aanzien van appellante niet langer een urenbeperking in aanmerking werd genomen. Nadere motivering in hoger beroep. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4215 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]e (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 juni 2006, 05/4866 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.T.G. van Engelen, advocaat te Wageningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Nadien heeft het Uwv rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2008. Appellante en haar gemachtigde zijn, na voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Hofmans.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 16 juni 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 17 augustus 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat de rechtbank zich - kort weergegeven - kon verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4. In hoger beroep is door appellante aangevoerd - kort weergegeven - dat het Uwv op basis van de zogenaamde standaard Verminderde arbeidsduur onvoldoende heeft gemotiveerd waarom appellante, gelet op de ernst van haar lage rugklachten en migraine en het feit dat in het verleden wel een urenbeperking werd aangenomen, niet voor een urenbeperking in aanmerking komt. Voorts is door appellante aangevoerd, dat een toelichting op mogelijke overschrijdingen van haar mogelijkheden in de haar geduide functies eerst in beroep door de bezwaararbeidsdeskundige is aangeleverd, zodat de rechtbank het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek had dienen te vernietigen.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad heeft mede in de overweging betrokken dat appellante haar stelling dat zij verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen niet heeft onderbouwd met nadere medische stukken.

5.2.1. Wat betreft de stelling van appellante dat het Uwv de beslissing ter zake van het niet langer aannemen van een urenbeperking onvoldoende heeft gemotiveerd overweegt de Raad, dat het feit dat in het verleden ten aanzien van appellante een urenbeperking in aanmerking is genomen niet met zich brengt dat het Uwv daaraan ook voor de toekomst is gebonden. Het gaat immers om de beoordeling van de mogelijkheden van appellante per de in geding zijnde datum van 17 augustus 2005.

5.2.2. De Raad kan appellante wel inzoverre volgen dat het Uwv duidelijker, op basis van hetgeen is neergelegd in de standaard Verminderde arbeidsduur, had dienen te motiveren waarom ten aanzien van appellante niet langer een urenbeperking in aanmerking werd genomen. De Raad acht deze onvolkomenheid evenwel niet zodanig ernstig dat het bestreden besluit op die grond in rechte geen stand zou kunnen houden. De Raad stelt in dit verband vast dat appellante door de verzekeringsarts is beoordeeld en deze de bij appellante vastgestelde beperkingen in een Functionele mogelijkheden lijst (FML) heeft neergelegd. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze beoordeling onderschreven. In de FML heeft de verzekeringsarts onder rubriek 6 “Werktijden” geen beperking opgenomen. Bij de beoordeling daarvan heeft de verzekeringsarts afwegingen moeten maken overeenkomstig de standaard Verminderde arbeidsduur, als zijnde beleid van het Uwv houdende een instructie aan de verzekeringsartsen. Hierbij was de verzekeringsarts niet gehouden zijn afwegingen onder verwijzing naar de standaard Verminderde arbeidsduur nadrukkelijk te benoemen en te motiveren, nu hij na kennisname van de te beoordelen informatie kennelijk geen aanleiding zag enige urenbeperking in overweging te nemen. Eerst in beroep heeft appellante zich beroepen op een urenbeperking. Naar aanleiding daarvan heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 17 maart 2006 een aanvullende motivering ter zake van het niet aannemen van een urenbeperking opgenomen, die hierop neerkomt dat de anamnestische bevindingen noch het medisch substraat noodzaken tot een urenbeperking. De Raad acht deze motivering in de onderhavige situatie voldoende.

5.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ziet de Raad de grief van appellante slagen. Eerst in beroep is met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 15 mei 2006 de met behulp van het Claimbeoordelings- en borgingssyteem tot stand gekomen schatting van de vereiste nadere toelichting voorzien. Dit had de rechtbank aanleiding behoren te geven tot vernietiging van het bestreden besluit. Nu dit niet is gebeurd komt (ook) de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De evengenoemde rapportage van de bezwaararbeids-deskundige, nog aangevuld met de rapportages van 1 november 2006 en 29 augustus 2007, voorziet in een zodanige nadere toelichting van de schatting, dat deze naar het oordeel van de Raad als genoegzaam gemotiveerd kan worden aangemerkt. Om deze reden ziet de Raad aanleiding om gebruik te maken van de in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde bevoegdheid de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.D.F. de Moor.

JL