Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2696

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
07-444 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bijzondere bijstand voor griffierecht en de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van in totaal € 295,--. Beleid gemeente inzeke bepaling draagkracht is redelijk.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/444 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 december 2006, 05/1240 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2008. Appellant is, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H. Grommers, werkzaam bij de gemeente Groningen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant is in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden met ingang van 18 november 2003 in dienst getreden bij de Stichting [naam stichting] te [vestigingsplaats].

Op 14 april 2005 heeft hij een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor griffierecht en de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van in totaal € 295,--.

Bij besluit van 18 april 2005 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat de draagkracht van appellant hoger is dan de kosten waarvoor hij bijzondere bijstand heeft aangevraagd. Daarbij is de draagkracht vastgesteld op € 473,91 en het draagkrachtjaar bepaald op de periode van 1 april 2005 tot 1 april 2006.

Appellant heeft tegen het besluit van 18 april 2005 bezwaar gemaakt. Hij heeft er daarbij op gewezen dat zijn arbeidsovereenkomst met de Stichting [naam stichting] is aangegaan voor de duur van twee jaren en dat deze na afloop van die termijn van rechtswege zal eindigen. Volgens appellant is het onjuist indien daarmee bij de vaststelling van de draagkracht en/of de draagkrachtperiode geen rekening wordt gehouden.

Bij besluit van 26 augustus 2005 heeft het College het tegen het besluit van 18 april 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft evenals in bezwaar en beroep gesteld dat het College bij de vaststelling van de draagkracht en/of de draagkrachtperiode rekening had moeten houden met het feit dat in zijn arbeidsovereenkomst was bepaald dat deze van rechtswege per 18 november 2005 zou eindigen, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan zijn.

Het College heeft in het beleid met betrekking tot de uitoefening van de hem in artikel 35, eerste lid, van de WWB toegekende bevoegdheid, opgenomen in het beleidsinstructieboek “Marge is Regel”, bepaald dat wanneer iemand een netto-inkomen (exclusief vakantietoeslag) boven bijstandsniveau heeft, 25% van dat meerdere als draagkracht word aangemerkt. De draagkracht wordt in beginsel vastgesteld voor een heel jaar en het draagkrachtjaar begint te lopen op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere bijstand wordt aangevraagd of verleend. Ter zitting is nog toegelicht dat met belangrijke wijzigingen in het inkomen tijdens het draagkrachtjaar in die zin rekening wordt gehouden, dat bij een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand alsdan opnieuw de draagkracht van de betrokkene wordt vastgesteld en een nieuwe draagkrachtperiode wordt bepaald.

Naar het oordeel van de Raad gaat het hiervoor omschreven beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

In het voorliggende geval heeft het College gehandeld overeenkomstig zijn beleid.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van zijn beleid had moeten afwijken. In dit verband heeft de Raad met name van belang geacht dat van het netto-inkomen boven het bijstandsniveau slechts 25% als draagkracht wordt aangemerkt. Overigens zou de door appellant bepleite benadering erop neerkomen dat reeds bij de aanvang van de draagkrachtperiode rekening zou worden gehouden met toekomstige onzekere wisselingen in de inkomenspositie van de betrokkene.

Gelet op het vorenoverwogene slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Voor een veroordeling tot schadevergoeding bestaat mitsdien geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

AR