Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
05-5476 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bankwerker/lasser. Weigering WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Geen (eigen) medische gegevens ingebracht over rugklagen. Beschikbare medische gegevens: kyfose is mild is; geen aantoonbare hernia. Psychische klachten: geen objectief-medische gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5476 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2005, 04/2246 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.L.J. Schilt-Thissen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden, in het bijzonder betreffende de behandeling die appellant ondergaat bij de psychiater F.P.J. Derks.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008. Voor appellant is verschenen mr. Schilt-Thissen, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is in december 2002 wegens rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als bankwerker/lasser.

2. Bij besluit van 27 november 2003 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 1 december 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.

2.1. Bij besluit van 19 april 2004, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen evenvermeld besluit ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen stellen achter de bij de schatting als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies. Aangezien evenwel een toereikende motivering van de passendheid van de functies eerst na het bestreden besluit is verstrekt, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering, maar de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.

4. Appellant heeft, evenals in eerdere stadia van de procedure ook in hoger beroep - dat zich uitsluitend richt tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit - naar voren doen brengen dat zijn beperkingen, zoals deze voortvloeien uit zijn kyfose en een hernia, ernstiger zijn dan van de zijde van het Uwv is aangenomen, in verband waarmee de bij de schatting in aanmerking genomen functies voor hem niet geschikt zijn te achten. De belasting van die functies vertoont daarnaast op verschillende onderdelen overschrijdingen van de voor appellant blijkens de functionele mogelijkhedenlijst toegestane belastbaarheid en zijn ook om die reden niet passend te achten voor appellant. Ten slotte is nog aangevoerd, onder verwijzing naar informatie van de behandelend psychiater Derks, dat hij ook lijdt aan een ernstige depressie en dat met de beperkingen die hieruit voortvloeien evenmin voldoende rekening is gehouden.

5. De Raad ziet het hoger beroep van appellant geen doel treffen. Met betrekking tot de rugklachten van appellant geldt dat hij in hoger beroep geen medische gegevens heeft ingebracht die zouden kunnen dienen ter onderbouwing van zijn eigen opvatting dat daarmee door de verzekeringsartsen onvoldoende rekening is gehouden. De Raad kan zich vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot het tijdens de beroepsprocedure ingebrachte verslag van de radioloog Crezee en met betrekking tot het belang dat toekomt aan het namens appellant benadrukte verschil in uitkomst tussen de proef van Lasègue van de behandelend neuroloog en die van de verzekeringsarts. Uit de beschikbare medische gegevens komt naar voren dat de kyfose van appellant mild is en dat van een aantoonbare hernia geen sprake blijkt te zijn.

5.1. Met betrekking tot de psychische klachten van appellant overweegt de Raad dat zich onder de gedingstukken geen objectief-medische gegevens bevinden die in de richting wijzen dat appellant ten tijde in dit geding van belang lijdende was aan wezenlijke beperkingen op het psychische vlak, al dan niet als gevolg van een depressie. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 22 oktober 2003 komt naar voren dat de verzekeringsarts bij psychisch onderzoek weliswaar een dysthyme stemming heeft waargenomen, maar tevens dat die arts onvoldoende grond heeft gezien om uit te gaan van een depressie. De van behandelend psychiater Derks afkomstige informatie maakt dat niet anders: genoemde psychiater geeft aan dat appellant sinds april 2006 haar speekuur bezoekt en dat het haar niet bekend is hoe het precies gesteld was met het psychische functioneren van appellant in 2003.

5.2. Al met al heeft de Raad geen aanknopingspunten om de voor appellant vastgestelde belastbaarheid niet juist te achten.

5.3. Ten slotte acht ook de Raad, mede gelet nog op het bij het verweerschrift in hoger beroep gevoegde arbeidskundige rapport, de passendheid van de functies toereikend gemotiveerd. De Raad deelt de conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige in bedoeld rapport dat in hoger beroep van de zijde van appellant op dit vlak geen nieuwe argumenten zijn aangevoerd.

5.4. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. Er is niet gebleken van termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.H.A. Uri.

DK