Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2690

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
06-4986 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking volledige WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Er zijn geen objectief medische gegevens in geding gebracht. Geen onderschatting beperkingen. Geen noodzaak tot urenbeperking. Zorgvuldig medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4986 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 augustus 2006, 05/3213 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.W. Verweij, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Verweij, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is in september 1999 wegens rugpijn en schouderklachten uitgevallen als medewerker wasserij. Met ingang van 14 september 2000 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Bij besluit van 11 januari 2005 heeft het Uwv deze uitkering vanaf 7 maart 2005 ingetrokken.

3. Door de gemachtigde van appellante is in bezwaar tegen dat besluit aangevoerd dat er in de medische situatie niets is veranderd sinds de toekenning van de WAO-uitkering. Het besluit wordt als onvoldoende gemotiveerd beschouwd nu daaruit niet valt op te maken wat precies tot de (veel lagere) schatting heeft geleid.

4. Bij besluit van 25 oktober 2005 (bestreden besluit) is het bezwaar - omdat er in de bezwaarfase nieuwe functies zijn geduid - tegen het besluit van 11 januari 2005 gegrond verklaard. Het Uwv heeft besloten de WAO-uitkering per 7 maart 2005 voort te zetten en te baseren op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tevens heeft het Uwv besloten om de WAO-uitkering met ingang van 11 december 2005 te beëindigen om dat appellante voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

5. Namens appellante is in beroep tegen het bestreden besluit aangevoerd dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) een te rooskleurig beeld wordt geschapen van haar mogelijkheden, als gevolg waarvan ook de nieuw geduide functies niet passend zijn.

Wederom heeft appellante aangevoerd dat er geen verbetering is opgetreden in haar medische situatie en dat zij het onbegrijpelijk acht dat er geen urenbeperking meer wordt aangenomen. Voorts heeft appellante gesteld dat haar belastbaarheid in de functies wordt overschreden ten aanzien van boven schouderhoogte werken en zittend werken.

6. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts beschikten over voldoende informatie en (eigen) onderzoeksbevindingen om op een verantwoorde wijze een inschatting van de belastbaarheid van appellante per 11 december 2005 te maken. De rechtbank is voorts van oordeel dat de grief dat ten onrechte geen urenbeperking meer is aangenomen faalt, omdat de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 28 juli 2005 gemotiveerd heeft aangegeven dat niet is voldaan aan de criteria zoals opgenomen in de Standaard verminderde arbeidsduur.

7. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de arbeidskundige rapportages van 1 augustus 2005, 7 oktober 2005, 6 januari 2006 en 21 april 2006 bepaald dat de aan appellante voorgehouden functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd zijn aan te merken als arbeid die wat betreft de daarin voorkomende belasting in overeenstemming is met de voor appellante vastgestelde beperkingen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

8. De Raad heeft in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd - hetgeen uitsluitend neerkomt op een herhaling van de reeds eerder aangevoerde grieven, als hiervoor vermeld - geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Appellante heeft geen objectief medische gegevens in geding gebracht die haar opvatting dat haar beperkingen zijn onderschat, of dat er (nog steeds) een noodzaak is voor het stellen van een urenbeperking, ondersteunen. De Raad acht het medisch onderzoek zorgvuldig en is van oordeel dat het standpunt van het Uwv dat er geen noodzaak meer is om een urenbeperking te stellen met name door de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 28 juli 2007 afdoende is gemotiveerd.

9. Ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat, staat voor de Raad genoegzaam vast dat appellante ten tijde hier van belang in staat was de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

10. Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

11. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.H.A. Uri.

DK