Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
06-3946 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering i.v.m. inkomsten uit arbeid. Er zijn in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht waaruit zou kunnen blijken dat het Uwv ten onrechte heeft aangenomen dat betrokkene op de datum hier in geding niet beperkt was voor het verrichten van arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3946 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 juni 2006, 05/2494 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam echtgenoot] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door [naam echtgenoot] en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.E.C. Veugen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn eerder tussen partijen gewezen - en dus bij partijen bekende - uitspraak van 22 december 2004, 02/5076 AAW.

1.1. Bij besluit van 1 maart 2001 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 12 juli 1999, waarin de uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van appellante met ingang van 1 januari 1996 is ingetrokken en is bepaald dat de onverschuldigd betaalde uitkering wordt teruggevorderd, ongegrond verklaard. De Raad heeft in bovengenoemde uitspraak het besluit van 1 maart 2001 vernietigd onder de overweging dat het onderzoek van de verzekeringsarts Neuhaus in 1999 en de bezwaarverzekeringsarts Bavelaar in 2000 niet voldoet aan de eisen die daaraan vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en motiveringsplicht gesteld kunnen worden.

2. Het Uwv heeft vervolgens een geneeskundig rapport laten uitbrengen door psychiater J.D.J. Tilanus. In zijn rapport van 1 september 2005 heeft Tilanus de vraag of er op 1 januari 1996 sprake was van objectief vast te stellen ziekten of gebreken als volgt beantwoord; ten tijde van de datum in geding 1 januari 1996 was er sprake van een objectief vast te stellen ziekte, te weten een angststoornis. Tilanus heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de auto-anamnese van de klachten uit 1996 en de katamnestische psychiatrische beschouwing over die periode geen objectiveerbare beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid kunnen worden gesteld.

2.1.Bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns heeft de conclusie van Tilanus overgenomen en gesteld dat appellante ten tijde van de datum in geding en de jaren daarna niet feitelijk beperkt was voor het verrichten van (haar) arbeid.

3.Het Uwv heeft bij besluit van 18 oktober 2005 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 juli 1999 (wederom) ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

5. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het Uwv met het bestreden besluit thans voldaan heeft aan de te stellen eisen van zorgvuldigheid en motivering. Van de zijde van appellante zijn in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht waaruit zou kunnen blijken dat het Uwv ten onrechte heeft aangenomen dat appellante op

1 januari 1996 niet beperkt was voor het verrichten van arbeid.

6. Met betrekking tot de in het besluit van 12 juli 1999 opgenomen terugvordering wijst de Raad op zijn uitspraak van 22 december 2004. In die uitspraak heeft de Raad onder meer geoordeeld dat het genoegzaam aannemelijk wordt geacht dat appellante op en na 1 januari 1996 - evenals voorheen - in de onderneming werkzaamheden heeft verricht en leiding heeft gegeven aan de bedrijfsvoering en dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante in strijd met haar inlichtingenverplichting geen mededeling heeft gedaan van haar werkzaamheden op en na 1 januari 1996 en de inkomsten daaruit.

Mede in het licht van dat oordeel is aan de Raad niet gebleken van enige grond om het in het besluit van 12 juli 1999 opgenomen terugvorderingbesluit rechtens onaanvaardbaar te achten.

7.Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

8.De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.H.A. Uri.

DK