Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2675

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
06-3693 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het medisch onderzoek valt als voldoende zorgvuldig aan te merken. Juistheid oordeel over belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies. Er zijn van de zijde van betrokkene ook geen nadere stukken overgelegd die een ander licht op de zaak werpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3693 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2006, 05/6052 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008. Voor appellante is verschenen mr. Kuit, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is in juni 1998 wegens zwangerschapsklachten en psychische klachten uitgevallen als secretaresse. Ingaande 3 juni 1999 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Bij besluit van 17 maart 2005 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 24 april 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

3. Door de gemachtigde van appellante is in bezwaar tegen dat besluit naar voren gebracht dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat haar beperkingen geenszins op waarde zijn geschat. In het bijzonder is daarbij gewezen op haar klachten van depressieve aard en haar klachten van slapeloosheid. Volgens appellante is er nog immer sprake van een situatie waarin er geen duurzaam benutbare mogelijkheden zijn tot het verrichten van arbeid.

4. Bij besluit van 16 november 2005, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2005 ongegrond verklaard.

5. Namens appellante is in beroep tegen het bestreden besluit aangevoerd dat zij nog steeds van oordeel is dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet voldoende zorgvuldig is geweest en niet voldoende gericht is geweest op haar psychische klachten. Zij verzoekt om onderzoek door een onafhankelijk psychiater of psycholoog. In verband met haar nierstenen zou daarnaast ook onderzoek door een uroloog in de rede hebben gelegen. Appellante acht zich als gevolg van haar beperkingen niet in staat tot het vervullen van de bij de schatting betrokken functies.

6. De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat, gelet op de wijze waarop de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hun conclusies hebben onderbouwd - mede aan de hand van informatie van verschillende behandelende artsen - het onderzoek als voldoende zorgvuldig valt aan te merken. Gelet op het geheel van de beschikbare medische informatie heeft de rechtbank voorts geen reden gezien de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen in twijfel te trekken. Er zijn van de zijde van appellante ook geen nadere stukken overgelegd die een ander licht op de zaak werpen. Van objectiveerbare nierklachten op de datum in geding is volgens de rechtbank, gezien de informatie van de huisarts en de uroloog, geen sprake. Al met al heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige.

6.1. Voorts heeft de rechtbank het met de notities functiebelasting van 15 februari 2005 en het rapport van de arbeidsdeskundige van 13 juni 2005 genoegzaam aangetoond geacht dat de aan de functies verbonden belasting de mogelijkheden van appellante niet te boven gaat. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de indeling van appellante per de datum in geding in de klasse van 15 tot 25% en heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

7. Namens appellante zijn in hoger beroep de eerder naar voren gebrachte grieven inzake onderschatting door de verzekeringsartsen van de voor haar in aanmerking genomen - psychische - beperkingen bij aanvullend beroepschrift staande gehouden. In het bijzonder persisteert zij ook bij haar opvatting dat van duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden geen sprake meer is en dat zij om die reden ook niet in staat is tot het vervullen van de bij de schatting in aanmerking genomen functies.

8. De Raad vindt in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht - hetgeen blijkens bovenstaande uitsluitend neerkomt op een herhaling van de reeds in eerdere stadia van de procedure aangevoerde grieven - geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. De Raad kan zich met de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank ten volle verenigen, en maakt die overwegingen en dat oordeel tot de zijne. De Raad merkt daarbij nog op van de zijde van appellante ook in hoger beroep geen medische gegevens zijn overgelegd die kunnen dienen ter onderbouwing van haar eigen opvatting inzake de ernst van haar gezondheidssituatie en de daaruit voor haar ten tijde in geding voortvloeiende arbeidsbeperkingen.

8.1. Ten slotte overweegt de Raad het volgende. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting van de Raad ook nog bezwaren naar voren gebracht met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de onderhavige schatting, in het bijzonder met betrekking tot de aan de gebruikte functies verbonden opleidingseisen, in relatie tot de door appellante gevolgde opleiding. Onder verwijzing naar het besprokene ter zitting laat de Raad deze grief, gelet op het (onderwijs)technische karakter ervan en het zeer late stadium waarin deze in de procedure naar voren is gebracht - niet valt in te zien waarom deze grief niet eerder had kunnen worden aangevoerd - wegens strijd met de goede procesorde als tardief buiten beschouwing.

8.2. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

9. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.H.A. Uri.

DK