Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2674

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
06-4502 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Juistheid oordeel over belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4502 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 juni 2006, 05/8426 en 05/8427 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.A. Breetveld, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1. Nadat appellant in augustus 1999 wegens klachten van psychische aard was uitgevallen voor zijn werkzaamheden als agrarisch medewerker, is hij met ingang van 14 augustus 2000 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Vanaf augustus 2001 is de uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.1. In augustus 2003 heeft appellant melding gemaakt van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De psychische klachten zouden zijn verergerd, terwijl appellant daarnaast ook melding heeft gemaakt van lichamelijke klachten. Naar het oordeel van de verzekeringsarts was evenwel van toegenomen beperkingen bij appellant geen sprake.

2. Bij besluit van 17 maart 2005 heeft het Uwv geweigerd om in aansluiting op de wachttijd van 52 weken, met ingang van 25 augustus 2004, de uitkering van appellant te verhogen.

2.1. Bij besluit van 20 oktober 2005, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen evenvermeld besluit ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als zorgvuldig bestempeld en heeft overwogen dat niet gebleken is van medische gegevens die wijzen op een toename van beperkingen op en na 25 augustus 2004.

Voorts heeft de rechtbank zich kunnen stellen achter het standpunt van het Uwv dat appellant op de datum in geding ongewijzigd in staat is tot het vervullen van de functies die eerder in juni 2003 al aan appellant waren voorgehouden.

4. Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend op het onderdeel van de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank een oordeel heeft gegeven over het bestreden besluit.

5. De Raad heeft in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Voor zover de grieven van appellant aldus moeten worden verstaan dat hij meent dat zijn beperkingen, samenhangend met zijn rugklachten dan wel anderszins, zijn onderschat, overweegt de Raad dat appellant geen objectief-medische gegevens heeft geproduceerd die hem in die opvatting steunen. De Raad acht met de rechtbank het onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig. Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad dat hij zich met name ook stelt achter het oordeel van de rechtbank dat voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding bestond om nog informatie op te vragen bij de behandelend neuroloog van appellant.

5.1. Ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat, staat voor de Raad voorts genoegzaam vast dat appellant ten tijde hier van belang in staat was de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de bij de schatting in aanmerking genomen functies.

5.2. Het bestreden besluit kan in rechte stand houden. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.H.A. Uri.

DK