Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2492

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
05-3386 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Eerst in hoger beroep deugdelijke toelichting op de medische en arbeidskundige beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3386 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] Duitsland (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2005, 04/2643 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.H.H.G. Kroeze, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.W. Huiskamp.

De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend, ten einde appellant in de gelegenheid te stellen te reageren op de door het Uwv ter zitting overgelegde nadere stukken.

Appellant heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 18 april 2008. Appellant is wederom niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.W. Huiskamp.

II. OVERWEGINGEN

Appellant woont in Duitsland en bezit de Duitse nationaliteit. Laatstelijk is hij in Nederland werkzaam geweest tot 23 oktober 2001 als monteur van kozijnen en dakelementen via een uitzendbureau. Met ingang van laatstgenoemde datum heeft hij zijn werkzaamheden gestaakt wegens rugklachten. Aanvankelijk heeft het Uwv geweigerd met ingang van 22 oktober 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toe te kennen. Nadat appellant bezwaar had gemaakt tegen die weigering heeft het Uwv alsnog per einde wachttijd een WAO-uitkering aan appellant toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 16 oktober 2003 heeft het Uwv de aan appellant toegekende WAO-uitkering met ingang van 2 juli 2003 herzien en nader vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling van een bezwaarverzekeringsarts ten grondslag, volgens welke er bij appellant sprake is van beperkingen in verband met de ziekte van Scheuermann en discopathieën op lumbaal niveau. Hierop is een nadere arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die beperkingen sprake is van geschiktheid voor een aantal functies, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van ongeveer 16%.

Bij besluit van 7 mei 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van

16 oktober 2003 gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 2 juli 2003 terecht heeft vastgesteld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Daarbij spitst het geschil zich allereerst toe op de vraag of het Uwv in voldoende mate rekening heeft gehouden met de toen voor appellant geldende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid.

De Raad is gelet op de thans bekende medische en andere gegevens omtrent appellant, met de rechtbank, van oordeel dat het Uwv bij de beoordeling van de klachten van appellant in voldoende mate rekening heeft gehouden met de voor hem geldende beperkingen bij het vaststellen van de functionele mogelijkheden lijst. Daarbij acht de Raad van belang dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts kennis hebben genomen van alle medische informatie omtrent appellant welke door de Landesversicherungsanstalt Westfalen en door appellant zijn verstrekt naar aanleiding van zijn aanvraag om een WAO-uitkering. Voorts blijken uit de door appellant in beroep overgelegde gegevens, waaronder een rapportage naar aanleiding van de door hem gevolgde “Kur” in Bad Pyrmont, niet van afwijkingen waarmee door voornoemde artsen geen rekening is gehouden. Door of namens appellant zijn in hoger beroep ter zake van de voor hem geldende klachten ten slotte geen gegevens overgelegd waaruit meer of verdergaande beperkingen kunnen blijken.

Voorts moet de Raad vaststellen dat in dit geding niet uiterlijk bij het bestreden besluit de schatting is voorzien van een zodanig deugdelijke toelichting en motivering dat op grond daarvan voldoende inzicht wordt geboden in en een voldoende mogelijkheid tot toetsing wordt verschaft van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen waarop de schatting berust. In lijn met de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716) brengt het vorenstaande de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vanwege onzorgvuldige voorbereiding en motiveringsgebreken voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad is evenwel van oordeel dat de rechtsgevolgen van dit besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand dienen te worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het gestorte recht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) C. de Blaeij.

OA1608