Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2470

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
06-1088 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Juiste medische grondslag. Arbeidskundige grondslag: nadere motivering in hoger beroep. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1088 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 januari 2006, 05/359 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.W.M. Toemen, advocaat te Boxtel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, voorts een medische en arbeidskundige rapportage overgelegd en desgevraagd ten slotte een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.W.M. Strijbos van 7 januari 2008 overgelegd.

Bij brief van 25 maart 2008 heeft mr. D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Bij faxbericht van 26 maart 2008 en tevens bij brief van 26 maart 2008 per gewone post verzonden en ingekomen bij de Raad op 27 maart 2008 heeft deze gemachtigde een brief van de psychiater S. Gülsacan van 11 januari 2008 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2008.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport van Gülsacan is ingediend na de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedoelde termijn welke loopt tot tien dagen voor de zitting. Mede gelet op de reactie van de gemachtigde van het Uwv ter zitting laat de Raad dit rapport niet toe in de onderhavige procedure, zodat hij dit stuk aan de gemachtigde van appellant retour zendt.

2.1. Appellante was werkzaam als productiemedewerkster toen zij zich op 15 september 2000 ziek meldde met psychische klachten. Het Uwv kende appellante bij besluit van 10 januari 2003 met ingang van 14 september 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.2. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op 6 juli 2004 onderzocht door de verzekeringsarts P. van de Pol. In een rapport van dezelfde datum stelde Van de Pol geen functionele beperkingen aan het bewegingsapparaat vast, maar nam hij in verband met het overgewicht wel enige beperkingen aan ten aanzien van rug- en kniebelastende activiteiten. Voorts nam Van de Pol een dysfore stemming waar maar hij achtte appellante zeker niet depressief. Hij diagnosticeerde een dysthyme stoornis en stelde een aantal beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren vast. Een en ander legde Van de Pol vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis hiervan selecteerde de arbeidsdeskundige blijkens een rapport van 16 juli 2004 een aantal functies en berekende hij het verlies aan verdienvermogen op 15,42%. Vervolgens nam het Uwv op 20 juli 2004 een besluit waarbij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 17 september 2004 werd herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.3. In de bezwaarprocedure kreeg de bezwaarverzekeringsarts de beschikking over informatie van de maatschappelijk werkster van 26 november 2004, waarin sprake was van oververmoeidheid, onverwerkte rouw en gezondheidsproblemen en het advies een psychiater te raadplegen, en over het journaal van de huisarts met een overzicht over de periode van 3 november 2000 tot en met 30 november 2004. Gelet op deze gegevens en de klachten van appellante, die ook bij Van de Pol bekend waren, zag de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding de FML te wijzigen. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 28 december 2004 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 juli 2004 ongegrond.

3.1. In beroep voerde haar toenmalige gemachtigde aan dat appellante recent contact heeft gehad met de neuroloog, de psychiater en de huisarts, hetgeen van invloed zou kunnen zijn op de FML. Op 11 november 2005 bracht die gemachtigde nog nadere, deels medische, informatie in, waaronder een brief van een sociaal psychiatrische verpleegkundige van 10 november 2005, waarin sprake was van een dysthyme stoornis en een brief van de psychiater B.J.M. Franssen van 14 december 2004, (en) welke brief was verwerkt in een nader journaal van de huisarts en waarin Franssen schreef over een posttraumatische stressstoornis en een aanpassingsstoornis. Voorts werd toen overgelegd een brief van het Regionaal Pijncentrum van 14 juni 2005, waarin werd aangegeven dat de forse depressieve klachten van appellante een onderhoudende factor zijn bij de cervicobrachialgie met hoofdpijnklachten. De bezwaarverzekeringsarts reageerde op al deze informatie en zag daarin geen aanleiding tot wijziging van de FML.

3.2. De rechtbank onderschreef in de aangevallen uitspraak de medische grondslag van het besluit van 28 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) en zag – in lijn met de visie van de bezwaarverzekeringsarts – in de overgelegde informatie veeleer een bevestiging van het reeds bekende toestandsbeeld van appellante. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (o.a. LJN AR4716) stelde de rechtbank echter vast dat het bestreden besluit wat betreft de geschiktheid van de geduide functies een deugdelijke toelichting en motivering ontbeerde maar dat deze wel is verkregen met het op 7 juli 2005 overgelegde rapport van de arbeidsdeskundige van 1 juli 2005. Gelet op een en ander verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand bleven. Tevens gaf de rechtbank bepalingen omtrent vergoeding van griffierecht en proceskosten, de laatste te voldoen aan de griffier.

4.1. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat zij eerst volledig arbeidsongeschikt werd beschouwd en thans met een onveranderd beeld slechts voor 15 tot 25%, dat haar vermogens wat betreft handelingstempo, deadlines en conflicthantering te hoog zijn ingeschat en dat instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit slechts mogelijk is als nog maar één beslissing mogelijk is.

4.2. Het Uwv keerde zich in zijn verweerschrift gemotiveerd tegen de standpunten van appellante.

4.3.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad tekent, naast hetgeen de rechtbank heeft overwogen, daarbij aan dat uit het journaal van de huisarts valt af te leiden dat appellante niet, zoals ter zitting van de rechtbank namens haar is gesteld, reeds in september 2004 in behandeling was bij psychiater Franssen, maar dat zij eerst op 30 november 2004 door haar huisarts naar die psychiater is verwezen. Voorts blijkt uit de in beroep ingediende informatie van het Regionaal Pijncentrum dat het auto-ongeval, waarvan de gemachtigde van appellante ter zitting van de Raad sprak, reeds in 2002 plaats heeft gevonden, dat appellante toen in verband daarmee klachten had die na een aantal maanden verdwenen en dat zij sinds oktober 2004, derhalve na de datum in geding, weer pijnklachten kreeg toen zij met schoonmaakwerk begon. Verder is de Raad uit de beschikbare medische gegevens niet gebleken dat de de mogelijkheden van appellante in de FML ten aanzien van de door haar gemachtigde genoemde aspecten zijn overschat.

4.3.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad voorop dat het juist in lijn met de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 is dat, zolang het CBBS niet aan die uitspraken is aangepast, besluiten op bezwaar die zijn genomen voor 1 juli 2005 en die een deugdelijke motivering als bedoeld in die uitspraken ontberen maar wel in de (hoger) beroepsfase alsnog worden voorzien van een zodanige motivering worden vernietigd onder mogelijke instandlating van de rechtsgevolgen.

4.3.3. De Raad stelt voorts vast dat in dit geval eerst in hoger beroep een toereikende motivering door het Uwv is verstrekt op een aantal nog niet toegelichte signaleringen onderscheidenlijk op een aantal zogenoemde niet-matchende items in de geduide functies in de arbeidskundige rapporten van 27 april 2007 respectievelijk 7 januari 2008. Met deze toelichtingen is eerst sprake van een situatie dat de gebrekkige motivering van het bestreden besluit wat betreft de medische geschiktheid van de geduide functies is opgeheven op een wijze die voldoet aan de meergenoemde uitspraken van de Raad.

4.3.4. De Raad concludeert al met al dan ook dat de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten, dient te worden bevestigd en dat die uitspraak wat betreft dit onderdeel moet worden vernietigd. Voorts zal de Raad zelf bepalen dat die rechtsgevolgen geheel in stand blijven. Het feit dat appellante bij eerdere beoordelingen, die thans niet aan de orde zijn, volledig arbeidsongeschikt is geacht maakt deze conclusie, die uitsluitend ziet op de thans in geding zijnde datum, niet anders.

4.3.5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Rijnen.

SSw