Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
06-1190 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Multiple sclerose. Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Geen medische informatie ingebracht die zou kunnen doen twijfelen aan de eerdere beoordelingen door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1190 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]l (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 januari 2006, 05/3678 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Tevens heeft het Uwv ingezonden een functionele mogelijkhedenlijst van 19 juli 2007 en een rapportage bezwaararbeidsdeskundige van 1 augustus 2007, met bijlagen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008. Appellante is - na voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was gedurende 32,5 uur per week werkzaam als verkoopster toen zij op 11 maart 1996 uitviel wegens multiple sclerose. De in verband daarmee aan haar toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, heeft het Uwv bij besluit van 19 april 2005 met ingang van 19 juni 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd - kort weergegeven - dat op grond van de advisering door de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moet worden aangenomen dat appellante in staat wordt geacht om met inachtneming van vastgestelde beperkingen gedurende 30-32 uur per week gangbare arbeid te verrichten, waartoe haar een aantal functies is voorgehouden.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, stellende onder meer dat arbeid in die omvang voor haar niet haalbaar is en dat zij haar zorgtaken in huis slechts kan volhouden doordat zij veel hulp ontvangt.

Bij besluit van 12 augustus 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, dit bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellante, naast het in bezwaar gestelde, voorts aangevoerd - kort weergegeven - dat de (bezwaar)verzekeringsarts haar dagverhaal onjuist weergeeft, dat zij een arbeidsomvang van 30 tot 32 uur per week niet aankan, welke opvatting haar huisarts eveneens zou zijn toegedaan, mede omdat zij dan niet kan ‘bijkomen’; een werkweek van 16 uur kan zij mogelijk wel volhouden. Voorts heeft appellante er op gewezen, dat zij niet één maar twee schubs heeft gehad, dat zij klachten heeft aan haar ogen en voeten, dat zij bij contacten een stroomgevoel ervaart en dat met de functies van portier/toezichthouder en kassamedewerker/cassière haar belastbaarheid wordt overschreden. Appellante heeft een brief van 30 september 2005 van neuroloog R.D. Verweij overgelegd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, waar het om de medische kant van de beoordeling gaat, kort gezegd overwogen dat de beperkingen van appellante voldoende zorgvuldig en met juistheid zijn vastgesteld. Waar het meer in het bijzonder gaat om de urenbeperking en appellantes dagverhaal heeft de rechtbank overwogen, dat met de energetische beperkingen van appellante voldoende rekening is gehouden doordat het Uwv een urenbeperking van 32 uur per week heeft aangenomen, terwijl het door de verzekeringsarts opgestelde dagverhaal haar niet onjuist voorkomt en de verzekeringsarts zijn beoordeling niet uitsluitend op dat dagverhaal heeft gebaseerd maar tevens op de functionele bevindingen. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de beoordeling heeft de rechtbank, zonder gevolgen voor appellantes indeling in een arbeidsongeschiktheidsklasse, de functie van portier/toezichthouder niet passend geacht wegens overschrijding van appellantes belastbaarheid op het aspect lopen en staan.

In hoger beroep is namens appellante verwezen naar hetgeen in eerste aanleg was aangevoerd en voorts gesteld, dat haar ziekte progressief zal verlopen, dat zij ook in haar gezin niet goed kan functioneren en dat het Uwv de beoordeling ten onrechte op het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft gebaseerd, omdat dit systeem nog steeds onvoldoende betrouwbaar geacht moet worden.

De Raad overweegt het volgende.

In hoger beroep heeft het Uwv op 6 augustus 2007 bericht, dat de door de verzekeringsarts opgestelde functionele mogelijkhedenlijst toelichtingen bevat, die een beperking inhouden. Op basis van een door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde aangepaste functionele mogelijkhedenlijst heeft de bezwaararbeidsdeskundige een nader rapport uitgebracht. Daarbij heeft deze de eerder aan appellante geduide functies (telefonist/receptionist, assistent consultatiebureau, kassamedewerker) als passend gehandhaafd, en de daarbij door het CBBS gegenereerde signaleringen met een ‘M’ van een nadere motivering voorzien.

De Raad stelt vast, dat de aanvankelijk door het Uwv aan de arbeids(on)geschiktheidsbeoordeling ten grondslag gelegde functionele mogelijkhedenlijst van 22 maart 2005 in een toelichting ‘verstopte’ beperkingen bevatte. Eerder heeft de Raad in zijn rechtspraak tot uitdrukking gebracht (uitspraak van 23 februari 2007, LJN AZ9153), dat bij gebreke van een toereikende motivering per beperking een dergelijke handelwijze de toets der kritiek niet kan doorstaan, omdat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling alsdan onvoldoende inzichtelijk en toetsbaar is. In het onderhavige geval is de Raad van oordeel, dat gelet op aantal en aard van de in de toelichtingen verborgen beperkingen en bij gebreke van een nadere toelichting per beperking, het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, in verband waarmee dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.

In het kader van de vraag of er voor de Raad aanleiding is gebruik te maken van zijn in artikel 8:72, derde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, overweegt de Raad als volgt.

De Raad ziet evenmin als de rechtbank aanleiding om de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen. Zijdens appellante is in hoger beroep geen medische informatie ingebracht die zou kunnen doen twijfelen aan de eerdere beoordelingen door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. Ten aanzien van het dagverhaal van appellante overweegt de Raad, dat de in het rapport van de verzekeringsarts van 22 maart 2005 onder ‘Anamnese’ en ‘Persoonlijk en sociaal functioneren’ vermelde gegevens over de (dag)activiteiten van appellante veeleer de conclusie wettigen dat deze zijn gebaseerd op een uitvoerige uitvraag daarvan bij appellante op het spreekuur van de verzekeringsarts dan op een verkeerde interpretatie door de verzekeringsarts van hetgeen appellante op het formulier ‘Vragen ter voorbereiding van uw herbeoordeling’ in het kort als wekelijkse activiteiten had aangegeven.

Appellante heeft gesteld dat zij mogelijk slechts 16 uur per week zou kunnen werken;

30 tot 32 uur per week acht zij niet haalbaar. De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep door appellante is aangevoerd geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank en neemt de overwegingen van de rechtbank over. De Raad tekent hierbij aan, dat uit de brief van neuroloog Verweij weliswaar kan worden afgeleid dat zich bij appellante in de loop der jaren een verminderde belastbaarheid heeft voorgedaan, maar dat hieruit, noch uit hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, kan worden afgeleid dat op de datum in geding (19 juni 2005) in medisch opzicht een verdergaande urenbeperking was aangewezen.

Gelet op het bovenstaande ziet de Raad geen grond voor toewijzing van de (subsidiaire) vordering van appellante tot benoeming van een deskundige.

Terzake van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan de Raad zich eveneens verenigen met hetgeen de rechtbank daarover, naar aanleiding van de beroepsgronden van appellante, heeft overwogen. In hoger beroep is door het Uwv een nadere arbeidskundige rapportage ingezonden. Daarin heeft de bezwaararbeidsdeskundige per functie naar aanleiding van door het CBBS gegenereerde signaleringen gemotiveerd waarom de belasting in de functie de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. De Raad is van oordeel, dat het Uwv hiermee genoegzaam heeft gemotiveerd dat met de geduide functies de belastbaarheid van appellante niet wordt overschreden.

Nu het bestreden besluit inhoudelijk bezien wel stand houdt, zal de Raad onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op

€ 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 37,- in beroep en € 103,- in hoger beroep,-, derhalve in totaal

€ 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL