Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2466

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
06-3671 WW + 08-584 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Niet opgeven van werkzaamheden, waarvoor in het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs een beloning kan worden verwacht. Geen belang bij beoordeling aangevallen uitspraak door nader besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18, geldigheid: 2008-04-29
Algemene wet bestuursrecht 6:19, geldigheid: 2008-04-29
Algemene wet bestuursrecht 6:24, geldigheid: 2008-04-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/230

Uitspraak

06/3671 WW + 08/584 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 mei 2006, 05/2219 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 januari 2007 is het Uwv ingegaan op een vanwege de Raad gestelde vraag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2007. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv, vanwege de Raad opgeroepen om te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. Het Uwv heeft de bijlagen bij het Rapport Werknemersfraude, voor zover van belang, bij brief van 22 juni 2007 aan de Raad toegezonden.

Bij brief van 9 november 2007 heeft het Uwv zijn standpunt met betrekking tot de grondslag van de herziening en de terugvordering uiteengezet, de herziening van het recht op uitkering bijgesteld en bij besluit van 18 december 2007 het terug te vorderen bedrag op € 8.442,26 gesteld.

Namens appellant is op deze stukken gereageerd.

De behandeling van het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 19 maart 2008. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellant ontvangt, naast een gedeeltelijke WAO-uitkering, met ingang van 24 maart 2003 een WW-uitkering op basis van een gemiddeld aantal arbeidsuren van 28,04. Naar aanleiding van de verdenking dat appellant werkzaamheden als chauffeur verrichtte voor [naam bedrijf] is een onderzoek ingesteld. De bevindingen zijn neergelegd in een Rapport Werknemersfraude d.d. 27 oktober 2004. Op basis van dat rapport heeft het Uwv aangenomen dat appellant ’s ochtends per auto de poetsvrouw ophaalt en de club opent, in de loop van de morgen diverse gezelschapsdames ophaalt en in de late avonduren weer naar huis brengt. Geconcludeerd is dat appellant op zes dagen per week gedurende 4 uur per dag dergelijke werkzaamheden verrichtte, totaal derhalve 24 uur per week. Nu appellant van deze werkzaamheden geen melding heeft gemaakt op zijn werkbriefjes heeft het Uwv bij besluit van 2 februari 2005 het recht op uitkering met ingang van 27 oktober 2003 herzien en de aldus over de periode van 27 oktober 2003 tot en met 10 september 2004 onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van € 9.922,38 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 20 september 2005 heeft het Uwv het tegen het besluit van 2 februari 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 20 september 2005 ongegrond verklaard.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De in rubriek I. genoemde brieven van 9 november 2007 en 18 december 2007 vormen naar het oordeel van de Raad één besluit (hierna: het bestreden besluit) en vervangen het besluit van 20 september 2005 geheel. Met dat besluit is niet geheel aan de bezwaren van appellant tegemoet gekomen.

Dat besluit ligt derhalve, gelet op de artikelen 6:18 en 6:19 juncto artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in dit geding ter toetsing voor. Nu voorts het gehele (resterende) geschil in het kader van dat besluit wordt beoordeeld, heeft appellant geen belang meer bij een oordeel over de aangevallen uitspraak terzake van het besluit van 20 september 2005. Het hoger beroep wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

4.2. Bij het bestreden besluit is het recht op uitkering met ingang van 27 oktober 2003 in zoverre herzien dat dit recht voor 24 uur per week is geëindigd doordat appellant met het verrichten van werkzaamheden voor [naam bedrijf] over dat aantal uren zijn hoedanigheid als werknemer verloren heeft. Appellant houdt derhalve recht op een WW-uitkering naar 4,04 uur. Het als gevolg van die herziening onverschuldigd betaalde bedrag aan uitkering wordt gesteld op € 8.442,26 en van appellant teruggevorderd.

4.3. In het aanvullend beroepschrift zijn namens appellant twee grieven aangevoerd.

a. het Uwv dient het strafdossier over te leggen zodat kan worden gecontroleerd of met alle feiten en omstandigheden rekening is gehouden;

b. het ging niet om reguliere werkzaamheden maar om een vriendendienst of hobby.

4.4.a. Nu de van belang zijnde bijlagen bij het Rapport Werknemersfraude in het geding zijn gebracht en namens appellant daarbij geen verdere aantekeningen zijn geplaatst, ziet de Raad voldoende reden om dat rapport tot uitgangspunt van zijn beoordeling te nemen.

4.4.b. Dat rapport met bijlagen biedt naar het oordeel van de Raad genoegzame onderbouwing voor het standpunt van het Uwv dat appellant sedert 27 oktober 2003 in de gestelde omvang van 24 uur per week voor [naam bedrijf] werkzaamheden heeft verricht en dat het om werkzaamheden gaat waarvoor in het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs een beloning kan worden verwacht. Gelet op aard, duur en omvang van die werkzaamheden worden de grenzen van het hobbymatige duidelijk overschreden. De conclusie moet dan ook zijn dat het Uwv zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant vanaf 27 oktober 2003 de hoedanigheid van werknemer heeft verloren over 24 uur per week en dat het recht op uitkering op grond van artikel 20, tweede lid, van de WW in die omvang is geëindigd. Het Uwv is voorts op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW gehouden het als gevolg van die herziening teveel betaalde bedrag aan uitkering terug te vorderen. Nu appellant de hoogte van het teruggevorderde bedrag niet heeft aangevochten, berust het bestreden besluit op een juiste grondslag. Het beroep dat geacht moet worden te zijn gericht tegen dat besluit wordt ongegrond verklaard.

5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant wegens verleende rechtsbijstand, begroot op € 322,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep, totaal derhalve € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 644,--, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ad € 142,-- (€ 37,-- + € 105,--) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW

214