Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
07-2748 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op onverminderde doorbetaling van loon; werkloos.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 16, geldigheid: 2008-04-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/202 met annotatie van Red

Uitspraak

07/2748 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant).

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 april 2007, 06/478 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 23 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. I. Jager, advocaat te Hattem, een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Desgevraagd heeft appellant een afschrift van een re-integratie verslag aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Appellant, opgeroepen om te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.D. Mak, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Jager als haar raadsvrouw.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Betrokkene, geboren in 1974, was op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam in dienst van [de werkgever] (hierna: de werkgever), vanaf 1998 als telefoniste/receptioniste en sedert 18 maart 2002 voor 40% telefoniste/receptioniste en voor 60% afdelingssecretaresse. Op 4 maart 2003 is betrokkene met psychische klachten uitgevallen. Na ommekomst van de wachttijd is betrokkene bij besluit van 5 april 2004 geen uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Zij wordt ongeschikt geacht voor het eigen werk, maar geschikt voor passende arbeid. Het door betrokkene tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 december 2004 ongegrond verklaard.

2.2. De werkgever heeft tot 1 april 2004 het loon doorbetaald. Betrokkene heeft per die datum een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 29 september 2004 heeft appellant een voorschot op de WW-uitkering toegekend.

Bij beschikking van 28 oktober 2004 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever ontbonden per 1 december 2004 en daarbij een vergoeding van € 13.485,-- bruto aan betrokkene toegekend.

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 1 december 2004 een kortdurende WW-uitkering toegekend. Aangezien ten onrechte geen (volledige) verrekening met de verstrekte voorschotten heeft plaatsgevonden vordert appellant bij besluit van 17 oktober 2005 van betrokkene het over de periode van 29 maart 2004 tot en met 3 april 2005 betaalde voorschot terug.

2.3. Bij het bestreden besluit van 11 januari 2006 heeft appellant het door betrokkene gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 11 en 17 oktober 2004 ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant het standpunt ingenomen dat betrokkene ook na 1 april 2004 recht heeft op onverminderde doorbetaling van haar loon, zodat zij niet als werkloos in de zin van artikel 16 van de WW kan worden aangemerkt. Appellant kan niet inzien waarom de werkgever betrokkene na het doormaken van de wachttijd van de WAO geen passend werk heeft kunnen bieden. Appellant meent dat eerst sedert de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 december 2004 vaststaat dat er binnen het bedrijf van de werkgever geen passend werk meer aanwezig was.

Het terug te vorderen bedrag wordt op € 16.041,26 gesteld. Gelet op de toelichting ter zitting van de rechtbank berust de vordering tot terugbetaling van het voorschot op de grond dat met het besluit van 11 oktober 2004 vaststaat dat tot 1 december 2004 geen recht op WW-uitkering bestaat.

3. Bij de aangevallen uitspraak (waar voor eiseres betrokkene en voor verweerder appellant moet worden gelezen) heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder meer de uitspraak van 14 september 2005, RSV 2006/8), komt naar voren dat het enkele feit dat er na de periode van loondoorbetaling als bedoeld in artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nog een arbeidsovereenkomst bestaat, gelet op het samenstel van bepalingen opgenomen in de artikelen 7:627, 628 en 629 van het BW, niet zonder meer meebrengt dat er nog recht bestaat op doorbetaling van loon. Dat zou wellicht anders kunnen liggen indien met recht gesproken kan worden van het niet nakomen door de werkgever van de op hem rustende reïntegratieverplichtingen als opgenomen in artikel 7:658a van het BW.

Uit het rapport van de arbeidsdeskundige A. Vingerling van 2 april 2004 blijkt dat eiseres onder begeleiding van de Arbodienst haar werkzaamheden heeft hervat en hier later op advies van de Arbodienst weer mee is gestopt. De Arbodienst meldt dat sprake is van een gespannen situatie op de afdeling waar eiseres werkt, vanwege een grote reorganisatie. Er zijn geen herplaatsings-mogelijkheden. De werkgever ziet geen passende arbeidsmogelijkheden binnen het bedrijf. Voorts blijkt uit voornoemd rapport dat eiseres ongeschikt is geacht voor haar eigen werk en dat ander werk bij de eigen werkgever niet aan de orde is, gezien de sfeer bij het bedrijf; wegens de sanering en reorganisatie is er veel stress bij eiseres, hetgeen mede een oorzaak is van de klachten.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat de werkgever de op hem rustende reïntegratieverplichtingen als bedoeld in artikel 7:658a van het BW niet is nagekomen. Hieruit volgt dat geen sprake is van een op de werkgever rustende verplichting om ook na 1 april 2004 loon door te betalen en dat eiseres derhalve met ingang van die datum voldoet aan de voorwaarden voor een WW-uitkering.”

De conclusie van de rechtbank is dan ook dat appellant ten onrechte de eerste werkloosheidsdag op 1 december 2004 heeft gesteld en dat betrokkene met ingang van 1 april 2004 aan de voorwaarden voor een WW-uitkering voldoet. Het bestreden besluit is op die grond geheel vernietigd.

4.1. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank bestreden, stellende dat er voor betrokkene bij de werkgever passende arbeid voorhanden was, te weten de functie van telefoniste. Hij beroept zich op de brieven d.dis 13 mei 2004 en 30 september 2004 van de toenmalige gemachtigde van betrokkene aan de werkgever, alsmede op voornoemd rapport van de arbeidsdeskundige Vingerling. Appellant handhaaft zijn standpunt dat betrokkene ook vanaf 1 april 2004 recht heeft op loon.

4.2. Betrokkene stelt zich achter het oordeel van de rechtbank. Betrokkene wijst erop dat de Arbodienst van de werkgever haar, na een periode van gedeeltelijke werkhervatting, wegens de gespannen situatie bij de werkgever heeft geadviseerd het werk weer geheel te staken. Ter ondersteuning van het standpunt dat de werkgever aan zijn verplichtingen heeft voldaan, wijst zij er op dat zij in samenwerking met Argonaut, het door de werkgever in januari 2004 ingeschakelde re-integratiebedrijf, van 11 juni 2004 tot en met 20 januari 2005 op therapeutische basis drie ochtenden per week licht administratief werk bij de Zorggroep De Leiboom heeft verricht.

5.1. De Raad staat voor de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank tot haar oordeel hebben geleid. Ook naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat de werkgever niet heeft voldaan aan de op hem rustende re-integratieverplichtingen. Evenals de rechtbank hecht de Raad doorslaggevende betekenis aan de bevindingen en conclusies van arbeidsdeskundige A. Vingerling, waarvoor tevens steun is te vinden in de rapporten van Argonaut.

5.2. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.

De onder 4.1. vermelde brieven aan de werkgever zijn geschreven in het kader van een beoogde beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een ontbindingsvergoeding. Aan de vermelding daarin dat betrokkene zich op het standpunt stelt dat bij de werkgever passende arbeid voorhanden is, komt dan ook geen zelfstandige betekenis toe, te minder nu de reacties van de werkgever ontbreken. Datzelfde geldt voor de mededeling van betrokkene in haar brief van 13 oktober 2004 dat zij getracht heeft haar baan terug te krijgen.

De verwijzing door appellant naar de zinsnede in het rapport van A. Vingerling dat er ‘zonder de situatieve elementen in de arbeidsongeschiktheid best deels mogelijkheden bij de werkgever als telefoniste zouden kunnen zijn’ acht de Raad niet terzake doende, nu in dat rapport tevens is vermeld dat de sfeer in het bedrijf wegens recessie, sanering en reorganisatie veel stress bij betrokkene veroorzaakt en dat dit mede een oorzaak is van de klachten. Voorts miskent appellant dat er bij de werkgever een reorganisatie met inkrimping van personeel gaande was, dat de werkgever in november 2003 een reorganisatieplan aan de ondernemingsraad heeft voorgelegd waarop deze positief heeft gereageerd en dat de arbeidsplaats van betrokkene tengevolge van deze reorganisatie is vervallen. Bezien in het licht van deze gegevens kan appellant niet staande houden dat de werkgever aan betrokkene een fulltime dienstverband als telefoniste/receptioniste had dienen aan te bieden en dat betrokkene deswege recht heeft behouden op onverminderde doorbetaling van loon.

6.1. Op grond van het vorenstaande concludeert de Raad dat de rechtbank op goede gronden het bestreden besluit heeft vernietigd en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6.2. Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar zal appellant tevens aandacht dienen te besteden aan het verzoek van betrokkene tot vergoeding van renteschade. Wat betreft de rente over de door haar terugbetaalde voorschotten zal rekening gehouden moeten worden met ’s Raads uitspraak van 19 juli 2000, LJN AA7177.

6.3. De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand, vermeerderd met de reiskosten van betrokkene ad € 22,28, totaal derhalve € 666,28.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 666,28, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Gelast dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 428,--.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW

214