Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
06-4038 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Medische en arbeidskundige grondslag voldoende? Chronische vermoeidheid. Afdoende toelichting op de signaleringen eerst in hoger beroep verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4038 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 juni 2006, 05/5230 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft op 28 februari 2008 een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige T.E.A. de Groot van 27 februari 2008 ingediend

De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 28 februari 2008 nadere stukken ingediend, waaronder een rapport van 21 december 2006.

van bij appellante verricht neuropsychologisch onderzoek

Desgevraagd heeft het Uwv op dit rapport gereageerd door overlegging van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben van 10 maart 2008 en een volledige versie van gedingstuk B14 overgelegd.

De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 21 maart 2008 op de hiervoor vermelde rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2008.

Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als fotolaborante toen zij zich op 13 september 1995 ziek meldde met rug-, nek- en allergieklachten, alsmede chronische moeheid. Een rechtsvoorgangster van het Uwv, de Grafische Bedrijfsvereniging, heeft aan appellante met ingang van 11 september 1996 een uitkering ingevolge onder andere de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is op 25 oktober 2001 met ingang van 11 september 2001 ongewijzigd voortgezet.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is op 28 februari 2005 door de verzekeringsarts E.M.E. van der Werf-Huysmans, bij wie appellante op het spreekuur is verschenen, een rapport opgemaakt. Deze arts concludeerde op basis van anamnese, psychisch onderzoek en de sociale gegevens - een lichamelijk onderzoek verrichtte zij niet - dat appellante geschikt was voor niet te zwaar, niet stresserend werk in een schone luchtomgeving, waarbij zij aangaf: “geen prikkelende stoffen, gas of damp”zie FML 28-02-2005”. Haar bevindingen legde deze arts neer in deze FML. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding vervolgens vastgesteld dat er geen sprake was van enig verlies van verdienvermogen. Hierna trok het Uwv bij besluit van 28 april 2005 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 29 juni 2005 in.1.3. In de bezwaarprocedure kreeg de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick de beschikking over informatie van de behandelend neuroloog en de huisarts. Van Gulick verrichtte alsnog een lichamelijk onderzoek, waarbij hij geen opvallend afwijkende bevindingen deed, en zag blijkens het rapport van 13 oktober 2005 geen aanleiding tot een ander medisch oordeel. De bezwaararbeidsdeskundige A. Dollenkamp rapporteerde op 7 november 2005 nader over de medische geschiktheid van de geduide functies, waarna het Uwv bij besluit van 14 november 2005 het bezwaar ongegrond verklaarde.

2. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 14 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit, waarbij zij aantekende dat bij appellante beperkingen zijn aangenomen in verband met chronische vermoeidheid en dat de verzekeringsartsen gemotiveerd hebben aangegeven waarom de klachten van appellante niet tot verdergaande beperkingen leidden. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat namens het Uwv ter zitting was bevestigd dat een aantal functies vanwege de gestelde opleidings- en/of ervaringseisen diende te vervallen, maar dat na weging van de medische geschiktheid van de resterende functies de schatting zonder relevant gevolg voor het verlies aan verdienvermogen kon worden gebaseerd op de functies productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (SBC 111172), productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC 272043) en productiemedewerker confectie, kleermaken (SBC 272042).

3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen bezwaren tegen de vastgestelde beperkingen en de geduide functies in essentie herhaald. Namens appellante is bovendien gewezen op het feit dat ME/CVS door de Gezondheidsraad inmiddels als ziekte is erkend en is, evenals trouwens in eerste aanleg, aandacht gevraagd voor de zogenoemde motie Vendrik. Voorts is namens appellante nog in geding gebracht het in rubriek I vermelde rapport van een neuropsychologisch onderzoek, waarin als eindconclusie was vermeld dat het onderzoek evidentie leverde voor een verminderde cognitieve belastbaarheid, gekenmerkt door een stoornis in de volgehouden aandacht.

4.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Naast hetgeen de rechtbank heeft overwogen, wijst de Raad erop dat in het rapport van het neuropsychologisch onderzoek wat betreft evenomschreven stoornis is aangetekend dat een afname in het cognitief en gedragsmatig functioneren kon worden geobjectiveerd die voor het eerst merkbaar is bij een cognitieve duurbelasting van vier uur en zich manifesteert in een cognitieve traagheid. In reactie hierop achtte de in rubriek I van deze uitspraak vermelde bezwaarverzekeringsarts Sijben deze conclusie plausibel, waarbij hij aangaf dat het gaat om een forse aandachtsbelasting die in een normale werksituatie weinig zal voorkomen. Voorts las Sijben in het neuropsychologisch rapport dat de daarin opgenomen aanbeveling zag op een maximale intensieve cognitieve belasting van

5 maal 4 uur, maar niet op een urenbeperking tot 5 maal 4 uur werken. Deze interpretatie achtte de gemachtigde van appellante in haar brief van 21 maart 2008 onjuist, nu in meerbedoeld rapport bij de beantwoording van de voorgelegde vragen was vermeld dat de beperkingen inzake cognitieve duurbelasting onverminderd van kracht zullen blijven, ook al zou er alleen voor routinematig werk worden gekozen. De Raad acht de uitleg van Sijben wel degelijk plausibel, nu ook in de door de gemachtigde aangehaalde beantwoording het uiteindelijk gaat om beperkingen bij cognitieve belasting van een duur als vermeld in de eindconclusie. Wat betreft de motie Vendrik wijst de Raad, mede in het licht van zijn uitspraak van 4 juli 2006 (LJN AY1706) erop dat, nog daargelaten dat de naar aanleiding van deze motie door het Uwv in maart 2006 vastgestelde richtlijnen nog niet golden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, in dit geval bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek beperkingen zijn vastgesteld in verband met de vermoeidheidsklachten van appellante en dat niet gebleken is dat deze vaststelling op zich onjuist moet worden geacht.

4.2. Wat betreft de medische geschiktheid van de nog resterende functies merkt de Raad op dat in hoger beroep door de in rubriek I vermelde bezwaararbeidsdeskundige eerst een nadere toelichting is gegeven op die belastende aspecten in de geduide functies, die in de bezwaarprocedure nog waren omgezet naar een “G”, omdat daarmee de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden. De toelichting acht de Raad, anders dan appellante meent, uiteindelijk voldoende. Dit geldt ook voor de ter zitting alsnog van de zijde van het Uwv gegeven toelichting op de signaleringen bij de items 1.9.2 (zelfstandige taakuitoefening) en 1.9.8 (handelingstempo) in één van de functies etiketteerster (SBC 272042), welke toelichting, zoals namens appellante op zich terecht is opgemerkt, in de nadere toelichting van 27 februari 2008 ontbrak.

4.3. Nu eerst, zoals namens appellante is gesteld, in hoger beroep de vereiste toelichting is verkregen, ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen, het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand te laten.

4.4. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.449,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.449,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Rijnen.

SSw