Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2409

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
26-05-2008
Zaaknummer
07-1012 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag financiële tegemoetkoming voor de eigen bijdrage met betrekking tot de aanleg van een invalidenparkeerplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1012 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 januari 2007, 06/2439 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. E.C. Spiering, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld op de zitting van 16 april 2008. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Acun, werkzaam bij de gemeente Tilburg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Het College heeft appellant bij besluit van 21 november 2005 een parkeerplaats voor een gehandicapte toegewezen. Daarbij is hem een eigen bijdrage van € 453,69 opgelegd voor de kosten van aanleg van deze parkeerplaats. Het College heeft hem gewezen op de mogelijkheid om bij het bureau WVG (Wet Voorzieningen Gehandicapten) een financiële tegemoetkoming aan te vragen voor deze bijdrage.

1.3. Appellant heeft deze tegemoetkoming aangevraagd bij brief van 16 januari 2006.

1.4. Het College heeft de aangevraagde tegemoetkoming bij besluit van 2 februari 2006 afgewezen. Daarbij is verwezen naar het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg).

2.1. Appellant heeft tegen het besluit van 2 februari 2006 bezwaar gemaakt.

2.2. Het College heeft het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2006 bij besluit van 30 maart 2006 ongegrond verklaard. Het College stelt zich op het standpunt dat appellant in staat is om gebruik te maken van het collectief vervoer. In dat geval vloeit uit artikel 3.2, tweede lid, van de Verordening Wvg 2004 voort dat geen recht bestaat op een financiële tegemoetkoming.

3.1. Appellant heeft tegen het besluit van 30 maart 2006 beroep ingesteld. Aangevoerd is dat het College niet heeft onderzocht of hij gebruik kan maken van het collectief vervoer en dat het College hem heeft misleid door te suggereren dat hij recht zou hebben op een financiële tegemoetkoming. Op het moment dat hem gewezen werd op de mogelijkheid om een financiële tegemoetkoming aan te vragen was het College ervan op de hoogte dat hij met het collectief vervoer kan reizen.

3.2. Het College heeft gepersisteerd bij zijn in het besluit van 30 maart 2006 neergelegde standpunt.

3.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 maart 2006 ongegrond verklaard. Zij heeft het onderzoek of appellant met het collectief vervoer kan reizen niet onzorgvuldig geacht nu appellant dit zelf een en andermaal heeft verklaard. Het beroep van appellant op opgewekte verwachtingen heeft zij verworpen nu niet is gebleken dat door of namens het College uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij appellant gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. De rechtbank heeft er in dat verband op gewezen dat in het besluit van 6 december 2005 slechts wordt gewezen op de mogelijkheid om een financiële tegemoetkoming aan te vragen.

4.1. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd komt in essentie overeen met hetgeen bij de rechtbank naar voren is gebracht.

4.2. Het College heeft gepersisteerd bij zijn in het besluit van 30 maart 2006 neergelegde standpunt.

4.3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hij maakt deze tot de zijne.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008.

(get.) R.M. van Male

(get.) M. Pijper

OA