Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2388

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
07-3769 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op volledige WW-uitkering. Terugvordering. Werknemersfraude? Gewerkte uren niet gemeld. Vriendendienst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/3769 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 1 juni 2007, 06/764 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door J. [D.] en M. [D.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.G. Metus, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Aan appellant is met ingang van 18 juli 2002 een WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidspatroon van 38 uur per week. Naar aanleiding van een melding dat appellant werkzaamheden zou verrichten in de winkel van zijn vriendin, is een onderzoek ingesteld door een fraude-inspecteur van het directoraat Fraude, Preventie en Opsporing, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude van 6 april 2005. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 29 april 2005 aan appellant medegedeeld dat hij aan het Uwv niet heeft gemeld dat hij vanaf 1 januari 2004 gedurende vijf uur per week werkzaam was bij zijn vriendin in haar winkel [naam winkel] en dat hij derhalve geen recht had op een volledige WW-uitkering. Bij besluit van 17 mei 2005 heeft het Uwv de over de periode van 1 april 2004 tot 3 april 2005 te veel betaalde uitkering tot een bedrag van € 1.582,37 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 21 april 2006 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van

29 april 2005 en van 17 mei 2005 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat geen aanleiding wordt gezien te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van appellant tegenover de opsporingsambtenaren bij de afdeling Fraude, Preventie en Opsporing van het Uwv, inhoudende dat hij sinds 1 januari 2004 gemiddeld vijf uur per week aan het werk was in de winkel van zijn vriendin. De rechtbank heeft daarbij een zekere druk bij het verhoor weliswaar aannemelijk geacht, maar onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van ontoelaatbare druk. De rechtbank was dan ook van oordeel dat appellant zijn inlichtingenplicht, zoals die is neergelegd in de WW, heeft geschonden door zijn werkzaamheden niet aan het Uwv te melden. Deze werkzaamheden kunnen volgens de rechtbank naar objectieve maatstaven van invloed worden geacht op de uitkering. De omstandigheid dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat appellant voor zijn werk geen loon heeft ontvangen doet daar niet aan af. Aangezien appellant zijn inlichtingenplicht ten opzichte van het Uwv heeft geschonden, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank de uitkering op goede gronden herzien. Op grond van artikel 36 van de WW heeft het Uwv terecht de onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij de verklaring onder druk heeft afgelegd en dat de werkelijke situatie niet meer inhield dan dat hij als werkloze ondernemer niets om handen had en dat hij zeer regelmatig bij zijn vriendin in de winkel aanwezig was voor gezelschap en daarbij af en toe hulpvaardig was. Geenszins is het volgens appellant zijn bedoeling geweest om daarover onjuiste informatie te verstrekken of het Uwv te benadelen.

5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.

5.2. Blijkens de Verklaring van verhoor van 15 maart 2005, heeft appellant ten overstaan van twee fraude-inspecteurs van de afdeling Fraude, Preventie en Opsporing van het Uwv verklaard dat hij naar schatting 20 uur per week in de winkel van zijn vriendin aanwezig was en dat gesteld kan worden dat hij daar gemiddeld vijf uur per week aan het werk was. Dat deze verklaring onder ontoelaatbare druk zou zijn afgelegd, is de Raad niet gebleken. Blijkens het verslag van de hoorzitting in het kader van de bezwaarprocedure heeft appellant bij die gelegenheid aangegeven dat zijn hand- en spandiensten onder andere bestonden uit het uitpakken van kleding en het verwisselen van een lampje. Voorts is ter zitting van de rechtbank door J. [D.], de toenmalige eigenaresse van de winkel, verklaard dat appellant wel eens op de winkel paste wanneer zij een boodschap moest doen. Naar het oordeel van de Raad betreft het hier activiteiten die voldoen aan het ingevolge vaste rechtspraak in deze geldende criterium, namelijk dat zij zijn aan te merken als arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Ook al beschouwde appellant die werkzaamheden als hulpvaardigheid jegens zijn vriendin, waarvoor hij geen beloning ontving, dan nog betreft het werkzaamheden waar tegenover als zodanig een beloning in het maatschappelijk verkeer normaal is.

5.3. Gelet op het vorenstaande heeft het Uwv terecht het standpunt ingenomen dat appellant vanaf 1 januari 2004 tot en met 3 april 2005 gedurende vijf uur per week werkzaamheden heeft verricht in de winkel van zijn vriendin. Als gevolg daarvan is zijn recht op uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voor 5 uur geëindigd. Appellant heeft redelijkerwijs moeten begrijpen dat het verrichten van genoemde werkzaamheden, ook al werd hij daarvoor niet betaald, van invloed kon zijn op de hoogte van het recht op uitkering, zodat hij daarvan bij het Uwv melding had moeten doen. Door van die werkzaamheden geen mededeling te doen aan het Uwv is appellant de op hem ingevolge artikel 25 van de WW rustende verplichting niet nagekomen, als gevolg waarvan hem tot een te hoog bedrag uitkering is verleend. Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat het Uwv de WW-uitkering van appellant over de genoemde periode op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW terecht heeft herzien.

5.4. Nu de uitkering van appellant terecht is herzien heeft het Uwv, gelet op artikel 36, eerste lid, van de WW, waarin is bepaald dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a van de WW onverschuldigd is betaald door het Uwv van de betrokken werknemer wordt teruggevorderd, terecht hetgeen onverschuldigd aan appellant is betaald over de periode van 1 januari 2004 tot en met 3 april 2005 van hem teruggevorderd.

5.5. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW