Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2384

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
07-5409 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering dagloonvaststelling te herzien. Geen sprake is van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5409 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 augustus 2007, 07/166 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 mei 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.E. van Uitert, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2007. Voor appellant is verschenen mr. Van Uitert, voornoemd. Voor het Uwv is verschenen mr. F.H.M.A. Swarts, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die als docent werkzaam is geweest, ontving tot 1 januari 1996 twee uitkeringen overeenkomstig de normen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), zogeheten UONW-uitkeringen. Ten gevolge van de inwerkingtreding van de Wet Privatisering ABP per 1 januari 1996 zijn deze uitkeringen per die datum omgezet in een WAO-conforme uitkering ten bedrage van f 1.171,24 per maand exclusief vakantietoeslag, gebaseerd op een dagloon van f 189,31. In deze uitkering was begrepen een toeslag van f 370,62.

Naderhand is gebleken dat de WAO-conforme uitkering onjuist was berekend. Per 1 november 1998 is de uitkering naar een lager bedrag uitbetaald. Pas bij besluit van 14 december 2001 heeft het Uwv het dagloon waarnaar de uitkering wordt berekend vastgesteld op f 200,23 (per 1 november 1998: f 211,55). Daarbij is de toeslag die appellant tot 1 november 1998 ontving buiten beschouwing gelaten. Van terugvordering is afgezien.

Bij besluit van 25 maart 2002 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 december 2001 ongegrond verklaard.

Het beroep van appellant tegen het besluit van 25 maart 2002 is door de rechtbank bij uitspraak 10 april 2003 ongegrond verklaard.

Deze uitspraak heeft de Raad bij uitspraak 8 december 2005 (LJN: AU7844) bevestigd. Daarbij heeft de Raad in navolging van de rechtbank geoordeeld dat het dagloon van appellants WAO-conforme uitkering correct is vastgesteld. Voorts heeft de Raad het volgende overwogen:

“Mede gelet op het verhandelde te zijner zitting, stelt de Raad vast dat de kern van het geschil is gelegen in het vervallen, dan wel niet meer uitbetalen van de hiervoor vermelde toeslag per 1 november 1998. Dit heeft ertoe geleid dat appellant vanaf

1 november 1998 een lager bedrag aan uitkering heeft ontvangen. De nadere berekening van het dagloon van de aan appellant toegekende WAO-conforme uitkering heeft niet dit effect gehad. Blijkens de stukken die gedaagde bij brief van

29 maart 2005 de Raad heeft doen toekomen, betrof het een garantietoeslag ter vervanging van een invaliditeitspensioen. Voor een verdiscontering van deze toeslag in het dagloon van appellants uitkering acht de Raad geen wettelijke basis aanwezig.

Dit laatste neemt evenwel niet weg dat, naar ook de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad heeft erkend, er geen besluit is genomen tot intrekking van deze toeslag. De gemachtigde van gedaagde heeft niet kunnen aangeven op welke regeling deze toeslag was gebaseerd en waarom deze toeslag is ingetrokken. Desgevraagd heeft de gemachtigde van gedaagde evenwel toegezegd dat binnen afzienbare termijn alsnog een gemotiveerd besluit zal worden genomen met betrekking tot appellants aanspraken op die toeslag, zodat appellant alsnog de gelegenheid krijgt om daartegen in bezwaar en beroep te komen. De Raad vertrouwt erop dat gedaagde deze toezegging gestand zal doen.”

Bij besluit van 26 januari 2006 heeft het Uwv de toeslag die appellant tot 1 november 1998 ontving, per die datum ingetrokken. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 mei 2006 ongegrond verklaard.

Bij brief van 11 mei 2006 heeft appellant het Uwv verzocht de dagloonvaststelling te herzien. Blijkens deze brief stelt appellant zich op het standpunt dat de toeslag in het dagloon verdisconteerd had moeten worden.

Bij besluit van 24 mei 2006 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 14 december 2001 op de grond dat er geen sprake is van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden.

Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van

28 december 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 28 december 2006 ongegrond verklaard.

Bij haar uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het besluit op bezwaar inzake appellants aanspraak op de toeslag niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid kan worden aangemerkt. Appellants verzoek ziet op een verhoging van zijn WAO-conforme uitkering in verband met het wegvallen van de toeslag. Die toeslag is evenwel niet van belang voor de hoogte van de uitkering. Met de uitspraak van de Raad is immers in rechte komen vast te staan dat voor verdiscontering van de toeslag in het dagloon en daarmee de hoogte van de uitkering geen wettelijke basis is. Reeds hierom kan naar het oordeel van de rechtbank een besluit omtrent appellants aanspraak op de toeslag niet als novum gelden. Voorts heeft de rechtbank in het licht van ’s Raads uitspraak van 8 december 2005 appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat, nu het Uwv de toeslag heeft ingetrokken, zijn uitkering verhoogd dient te worden om “in totaliteit gelijkwaardige aanspraken” te behouden.

In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen grond gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat met zijn uitspraak van 8 december 2005 is gegeven dat voor verdiscontering van de toeslag die appellant tot 1 november 1998 ontving, in het dagloon van zijn WAO-conforme uitkering geen wettelijke basis aanwezig is. Het feit dat het Uwv eerst bij besluit van 26 januari 2006 deze toeslag formeel per 1 november 1998 heeft ingetrokken, maakt dit niet anders.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2008.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Badermann.

IJ