Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
06-4250 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juiste beperkingen in acht genomen? Voorgehouden functies geschikt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4250 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 juni 2006, 02/2854 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J.M. Snijders, advocaat te Boxtel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 20 maart 2008, met bijlagen, de gronden van het hoger beroep verder aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2008.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en de tolk H. Bassit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker toen hij zich op 26 augustus 1996 arbeidsongeschikt meldde als gevolg van psychische en gewrichtsklachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke met ingang van 20 augustus 1997 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80 tot 100%.

1.2. Appellant is in het kader van een herbeoordeling op 28 november 2001 onderzocht door de voor (de rechtsvoorganger van) het Uwv werkzame arts L.T.M. Lenders. In een rapport van 28 november 2001 gaf Lenders aan dat er al met al geen evidente aanwijzingen waren voor een depressief toestandsbeeld en dat appellant in staat moest zijn tot hele dagen fysiek niet te belastende arbeid overeenkomstig het belastbaarheidspatroon, opgemaakt bij een beoordeling in maart 1991 (lees: 2001). Daarbij werden ook beperkingen vastgesteld op de onderdelen 28A (werken onder tijdsdruk) en 28E (conflicthantering). Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding vastgesteld dat het verlies aan verdienvermogen 6% bedroeg. Hierna werd bij besluit van 29 april 2002 de WAO-uitkering van appellant met ingang van

24 juni 2002 ingetrokken.

1.3. In de bezwaarprocedure legde de gemachtigde van appellant een brief van de appellant behandelend psychiater van 24 juli 2002 over, waarin deze als diagnose vermeldde een depressie in engere zin met hypochondere kenmerken.

De bezwaarverzekeringsarts D. Ubbink concludeerde in een rapport van 6 september 2002 dat in de bezwaarprocedure rekening is gehouden met de ziekte van Behcet en dat er geen medische indicatie op objectief medische gronden was voor bijstelling van het voor appellant op de datum in geding geldende belastbaarheidspatroon. Vervolgens werd bij besluit van 17 september 2002 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 april 2002 ongegrond verklaard.

2.1. In de beroepsprocedure tegen het besluit van 17 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft de rechtbank de psychiater-psychoanalyticus M.J. van Weers benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. In het verslag van 26 september 2004 van dit onderzoek gaf deze deskundige aan dat voor het merendeel van de lichamelijke klachten van appellant, die niet konden worden toegeschreven aan de ziekte van Behcet, nooit een afdoende verklaring is gevonden, dat bij appellant op de datum in geding sprake was van een depressieve stoornis in engere zin en dat voorts ernstige persoonlijkheidsproblematiek aan de orde was. Met de psychische beperkingen als opgenomen in het hiervoor vermelde belastbaarheidspatroon kon de deskundige zich verenigen en hij achtte appellant in staat tot het verrichten van de geduide functies.

2.1.1. Naar aanleiding van de reactie van de gemachtigde van appellant van 29 oktober 2004 gaf de deskundige in een nader rapport van 6 maart 2005 aan dat de hiervoor vermelde beperkingen in het belastbaarheidspatroon in voldoende mate de door de deskundige vastgestelde depressie en persoonlijkheidsstoornis afdekken.

2.1.2. Naar aanleiding van een verzoek van het Uwv van 1 december 2005, waarin is aangegeven dat aan de deskundige niet de juiste functies ter beoordeling waren voorgelegd, heeft de deskundige op 15 februari 2006 geconcludeerd dat appellant niet in staat was tot het verrichten van de functie samensteller van metaalproducten, maar wel tot de functies stikker meubelkleding, samensteller elektronische producten en samensteller geluidsapparatuur.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2.1. Wat betreft de psychische beperkingen heeft de rechtbank zich verenigd met de conclusies van de deskundige. Wat betreft de fysieke klachten zag de rechtbank ook geen reden tot twijfel aan de door het Uwv vastgestelde beperkingen. Daarbij wees de rechtbank met name op de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 7 november 2002 op een brief van de behandelend reumatoloog van 2 augustus 2002 aan de huisarts, waarin eerst vermelde arts aangaf uit deze brief niet te kunnen opmaken dat er meer klachten waren dan door het Uwv zijn aangenomen.

2.2.2. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat met het vervallen van de door de deskundige genoemde functie samensteller metaalproducten voldoende functies resteren en dat de mate van arbeidsongeschiktheid eveneens minder dan 15% blijft. In dit verband overwoog de rechtbank dat de functie stikker meubelkleding weliswaar een belasting kende op de aspecten monotoon en zich met snelle regelmaat herhalend werk maar dat appellant op deze aspecten niet beperkt is geacht. Voorts komt in de functie met de fb-code 8539 geen belasting voor op het aspect conflicthantering. Gelet hierop had de rechtbank, gezien de systematiek van de scoremogelijkheden in het CBBS voor de vergelijkbare functie, volgens welke bij het aspect conflicthantering aan de score 0 is toegevoegd: “Er komen geen conflicten voor die groter zijn dan in het dagelijks leven”, geen reden voor de vergelijkbare functie aan te nemen dat de belastbaarheid van appellant in de functie samensteller elektroproducten wordt overschreden.

3. In hoger beroep is namens appellant met name betoogd dat de psychische beperkingen door de deskundige onjuist zijn ingeschat en dat de geduide functies mede daardoor ongeschikt zijn.

4.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank en stelt zich achter de hiervoor samengevat weergegeven overwegingen van de rechtbank. De Raad voegt daar nog aan toe dat ter zitting nog ter sprake is gekomen dat de ziekmelding van appellant met ingang van 11 oktober 2004 wel leidde tot toekenning van ziektegeld maar na ommekomst van de wachttijd van toen twee jaar niet heeft geleid tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan appellant en dat van de zijde van het Uwv is opgemerkt dat deze ziekmelding in verband stond met schouderklachten, hetgeen trouwens ook al naar voren kwam in de brief van het Uwv van 1 december 2005 aan de rechtbank.

4.2. De Raad heeft voorts in de gedingstukken geen aanknopingspunten gezien om het oordeel van de deskundige over de aan appellant uiteindelijk geduide functies voor onjuist te houden en sluit zich voorts aan bij hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen.

4.3. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.4. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Rijnen.

SSw