Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
07/2425 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbare werkloosheid. Door eigen toedoen geen passende arbeid behouden. Voorzienbaar dat strafbaar feit zou leiden dat weigering legitimatiebewijs en beëindiging arbeidsovereenkomst in de beveiligingsbranche.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2425 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2007, 06/352 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.J. Stapel, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 19 maart 2008, waar partijen, het Uwv na schriftelijk bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant is vanaf 8 mei 2002 werkzaam geweest als beveiliger bij [naam werkgever] (hierna: [naam werkgever]). Met ingang van 20 mei 2005 is appellant door [naam werkgever] ontslagen vanwege de omstandigheid dat de politie heeft besloten hem geen legitimatiebewijs meer te verstrekken. Op basis van de wettelijke eisen is het [naam werkgever] om die reden niet langer toegestaan om appellant beveiligingswerk te laten verrichten.

2.1. Ter zake van zijn op 20 mei 2005 ingetreden werkloosheid heeft appellant verzocht hem een uitkering ingevolge de WW toe te kennen. Het Uwv heeft dit verzoek bij besluit van 1 juni 2005 afgewezen op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden nu appellant had kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden.

2.2. Bij besluit van 5 december 2005, het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 1 juni 2005 ongegrond verklaard.

2.3. Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft het Uwv de motivering van het bestreden besluit gewijzigd. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de afwijzing van de uitkering in verband met de verwijtbare werkloosheid gebaseerd dient te worden op artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW, het door eigen toedoen geen passende arbeid behouden. Daartoe is overwogen dat het strafbare gedrag van appellant er toe heeft geleid dat hem geen verlenging van zijn legitimatiebewijs door de politie Amsterdam-Amstelland werd toegestaan met als gevolg dat [naam werkgever] appellant niet meer tewerk kon stellen en moest ontslaan. Appellant moet zich van de beperkte geldigheid van zijn legitimatiebewijs bewust zijn geweest en heeft volgens het Uwv kunnen voorzien dat als er ten gevolge van zijn handelingen problemen zouden optreden, dit bij het verlengen van het legitimatiebewijs gevolgen zou kunnen hebben.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat het besluit alsnog is voorzien van een deugdelijke motivering heeft de rechtbank aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, conform het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand te laten. De rechtbank stelt zich met het Uwv op het standpunt dat het appellant te verwijten is dat hij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant -die al enige jaren in de beveiligingsbranche werkte- zich vóór het plegen van het strafbare feit had dienen te realiseren dat een strafrechtelijke reactie op zijn optreden zou kunnen leiden tot de intrekking van het aan hem verleende legitimatiebewijs voor het werken als beveiligingsmedewerker. De gebeurtenis die tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft geleid ligt binnen de risicosfeer van appellant en komt voor zijn rekening. De omstandigheid dat het gepleegde strafbare feit heeft plaatsgehad in de privésfeer en dat hij niet heeft kunnen voorzien dat dit zou leiden tot het einde van de arbeidsrelatie, volgt de rechtbank gezien het vorenstaande niet. Voorts acht de rechtbank nog van belang dat appellant een gewaarschuwd man was. Appellant had na een eerder strafbaar feit een voorwaardelijke verlenging van zijn legitimatiebewijs gekregen en had de consequenties van het opnieuw plegen van een strafbaar feit kunnen voorzien.

4. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank betwist. Appellant stelt zich op het standpunt dat de nadere grondslag van het bestreden besluit niet is geschreven voor een situatie als hier aan de orde.

5. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt als volgt.

5.1. De Raad stelt zich, gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens, achter het oordeel van de rechtbank en de door haar aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Ook voor de Raad staat vast dat het appellant te verwijten valt dat hij door zijn toedoen geen passende arbeid heeft behouden. De Raad acht hierbij van belang de omstandigheid dat appellant al eerder een voorwaardelijke verlenging van zijn legitimatiebewijs was verstrekt in verband met het plegen van een strafbaar feit. Appellant had kunnen weten dat hij op zijn tellen moest passen en had kunnen voorzien dat als hij wederom een strafbaar feit zou plegen hem geen legitimatiebewijs meer zou worden gegeven en dat daarvan het gevolg zou zijn dat de arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd.

5.2. In reactie op hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de toepassing van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW, wijst de Raad op zijn uitspraken van 18 mei 2005, LJN AT7577, 4 januari 2006, LJN AV2180 en 20 juni 2007, LJN BA8182.

6. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

BvW