Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2373

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
07-2739 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WW-uitkering. Niet voldaan aan wekeneis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2739 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 maart 2007, 06/4839 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. R.P. Dielbandhoesing, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 september 2007 heeft mr. drs. Dielbandhoesing meegedeeld de belangen van appellant niet meer te behartigen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 19 maart 2008, waar partijen, het Uwv na schriftelijk bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt bij zijn beoordeling.

3. Met het op bezwaar genomen besluit van 3 mei 2006, het bestreden besluit, heeft het Uwv beslist dat appellant met ingang van 21 augustus 2003 geen recht heeft op een WW-uitkering. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant op 21 augustus 2003 weliswaar voldoet aan de eis dat hij beschikbaar is voor arbeid als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, maar niet voldoet aan de wekeneis als gesteld in artikel 17, onderdeel a, van de WW in samenhang met artikel 17a, eerste lid, onder a, van de WW. De 39-wekenperiode voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag 21 augustus 2003 loopt, vanwege volledige arbeidsongeschiktheid gedurende de periode van 18 mei 2002 tot en met 16 mei 2003, van 29 november 2001 tot en met 20 augustus 2003. In die periode heeft appellant in 25 weken arbeid als werknemer verricht en voldoet hiermee niet aan de eis als gesteld in artikel 17, onderdeel a, van de WW dat in 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag in ten minste 26 weken als werknemer arbeid is verricht.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank het standpunt van het Uwv heeft onderschreven.

5. In hoger beroep betwist appellant de eerste werkloosheidsdag. Appellant is van mening dat de aanvraag dateert van 13 augustus 2003 met gevolg dat hij wel zou voldoen aan de wekeneis.

6. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt als volgt.

6.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel, en op de gronden die de rechtbank heeft gehanteerd, dat appellant met ingang van 21 augustus 2003 geen recht heeft op een WW-uitkering. De zich onder de gedingstukken bevindende gegevens wijzen er op dat appellant heeft beoogd om per 21 augustus 2003 een uitkering ingevolge de WW aan te vragen en dat hij zich eerst per die datum beschikbaar heeft gesteld voor arbeid. Uitgaande van die datum als eerste werkloosheidsdag komt ook de Raad tot de slotsom dat appellant in de voorverlengde referteperiode niet aan het vereiste van 26 gewerkte weken komt.

6.2. Naar aanleiding van hetgeen appellant heeft gesteld met betrekking tot 13 augustus 2003 als datum van aanvraag en eerste werkloosheidsdag merkt de Raad op dat die datum op een misverstand moet berusten. Onder de gedingstukken bevindt zich een formulier “ Persoonsgegevens” dat door appellant op 13 augustus 2003 is getekend maar dat verder niets zegt over de beschikbaarheid per die datum.

7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

BvW