Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2356

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
23-05-2008
Zaaknummer
07-273 WWB + 07-274 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden in het garagebedrijf van zoon. Schending inlichtingenverplichting. Intrekking en terugvordering bijstand. Afwijzing aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/273 WWB

07/274 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te Zoetermeer

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 november 2006, 06/93 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2008. Voor appellanten is verschenen mr. Van Schijndel. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.drs. P.C. van Aller, werkzaam bij de gemeente Zoetermeer.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen vanaf 2001 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een tip, inhoudende dat appellant in ieder geval vanaf 2003 een eigen garagebedrijf had en daar dagelijks met zijn zoon werkzaam was, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 20 juli 2005, zijn getuigen en appellanten gehoord en zijn waarnemingen en observaties verricht.

De onderzoeksbevindingen waren voor het College aanleiding om bij besluit van 28 juli 2005 de bijstand van appellanten met ingang van 1 juni 2005 te beëindigen (lees: in te trekken). Verder is bij besluit van 2 augustus 2005 de bijstand van appellanten met ingang van 1 januari 2003 tot en met 31 mei 2005 ingetrokken en heeft het College besloten tot terugvordering van appellanten van de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 41.426,25.

Appellanten hebben op 5 augustus 2005 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Deze aanvraag heeft het College bij besluit van 10 augustus 2005 afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2005 heeft het College de bezwaren gemaakt tegen de besluiten van 28 juli 2005, 2 augustus 2005 en 10 augustus 2005 ongegrond verklaard. Met betrekking tot de beëindiging en de intrekking heeft het College overwogen dat appellanten hun wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld. Met betrekking tot de aanvraag van 5 augustus 2005 heeft het College zich op het standpunt gesteld dat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat er sprake is van een gewijzigde situatie.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 25 november 2005 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vooraf

Appellanten stellen zich allereerst op het standpunt dat nu de rechtbank heeft overwogen dat het College de bijstand van appellanten met ingang van 1 juli 2005 heeft beëindigd in plaats van ingetrokken, de rechtbank hierin grond had moeten zien voor een vernietiging van het besluit van 25 november 2005 en vervolgens had moeten besluiten tot een veroordeling van het College in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.

De Raad kan appellanten hierin niet volgen. Het enkele feit dat het College bij het primaire besluit van 28 juli 2005 heeft besloten tot beëindiging van de bijstand met ingang van 1 juli 2005 en hier niet de term “intrekking” heeft gebruikt, levert naar het oordeel van de Raad als zodanig geen grond op voor een vernietiging van het besluit op bezwaar van 25 november 2005. Appellanten zijn hierdoor bovendien niet in hun belangen geschaad.

De Raad overweegt voorts het volgende.

De intrekking

Ten aanzien van de intrekking van de bijstand dient de Raad de periode van 1 januari 2003 toe en met 28 juli 2005 te beoordelen.

De Raad is van oordeel dat de onderzoeksresultaten voldoende aanknopingspunten bevatten voor het standpunt van het College dat appellant vanaf januari 2003 betrokken was bij het op naam van zijn zoon staande garagebedrijf [naam garagebedrijf]. De Raad wijst op de verklaringen van appellants zoon [N.], de verhuurder van het bedrijfsterrein die achter het betreffende perceel woont, de bewoner van de naast het bedrijf gelegen woning en [naam voormalig huurder], de voormalige huurder van het bedrijfsterrein. Ook uit de verklaringen van appellanten kan worden afgeleid dat appellant in het bedrijf van zijn zoon actief was. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen grond om niet van de tegenover de sociale recherche afgelegde en ondertekende verklaringen uit te gaan. Hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen kan de Raad geheel onderschrijven.

De gemachtigde heeft ter zitting van de Raad aangevoerd dat de politierechter in de tegen appellant gevoerde strafrechtelijke procedure de waarnemingen in de periode van 7 februari 2005 tot en met 12 mei 2005 buiten beschouwing heeft gelaten, Wat daarvan ook zij, de overige voorhanden zijnde onderzoeksresultaten, waaronder de - door de officier van justitie geaccordeerde - observaties vanaf 25 mei 2005, bieden naar het oordeel van de Raad voldoende grond voor het standpunt van het College dat appellant in het hier aan de orde zijnde tijdvak op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in het garagebedrijf van zijn zoon. Dat, zoals ook is aangevoerd, het bedrijf als gevolg van de financiële positie niet in staat was appellant te betalen doet hier aan niet af. Evenmin is hier van belang dat appellant vanaf december 2002 arbeidsongeschikt is geacht.

Appellant heeft het College niet van zijn werkzaamheden op de hoogte gesteld, zodat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu als gevolg van deze schending niet is vast te stellen of appellanten vanaf 1 januari 2003 nog recht hebben op bijstand was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd over te gaan tot intrekking van de over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 mei 2005 en vanaf 1 januari 2005 aan appellanten verleende bijstand. In hetgeen is aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College bij de afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen hiertoe in redelijkheid niet heeft kunnen komen.

De terugvordering

In geschil is de terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 mei 2005.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan. Het College was derhalve bevoegd om de kosten van bijstand over de in geding zijnde periode van appellanten terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van de terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht hiervan had moeten afwijken.

De aanvraag van 5 augustus 2005

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad ligt het, indien een lopende uitkering is beëindigd of ingetrokken, in geval van een nieuwe aanvraag, gericht op het verkrijgen van een periodieke bijstandsuitkering met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden, in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor uitkering in aanmerking te komen.

Met de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat appellanten niet hebben aangetoond dat hun omstandigheden ten tijde van belang - dat is de periode gelegen tussen de aanvraagdatum en de datum waarop het primaire besluit is genomen - in de zoëven bedoelde zin zijn gewijzigd. Evenals de rechtbank wijst ook de Raad erop dat, zoals uit het verslag van de in de bezwaarfase gehouden hoorzitting kan worden afgeleid, appellant nog immer op het bedrijf van zijn zoon aanwezig was. Het College heeft de aanvraag van 5 augustus 2005 dan ook terecht afgewezen.

Slotoverwegingen

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

AR090508