Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2346

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
07-2057 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering toe te kennen. Niet voldaan aan beschikbaarheidsvereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 207

Uitspraak

07/2057 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2007, 06/3734 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.R. Samuel, advocaat te Made, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken, kantoorgenoot van mr. Samuel, voornoemd, en waar M. Boultam als tolk is opgetreden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Op de aanvraag van appellant van 21 april 2006 om een WW-uitkering per 7 maart 2005 heeft het Uwv bij besluit van 1 mei 2006 afwijzend beslist op grond van de overweging dat appellant per 7 maart 2005 niet beschikbaar was om arbeid te verrichten. Bij besluit van 2 augustus 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 1 mei 2006 ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat aan de hand van feiten en omstandigheden ondubbelzinnig vaststaat dat appellant door houding en gedrag duidelijk en eenduidig heeft laten blijken dat hij zich niet voor arbeid beschikbaar stelt.

3. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellant uitvoerig ongegrond verklaard en hierbij - kort samengevat - overwogen dat appellant zich meermalen op het standpunt heeft gesteld dat hij op 7 maart 2005 ziek was en dat hetgeen appellant in beroep naar voren heeft gebracht niet leidt tot de conclusie dat appellant op 7 maart 2005 wel aan het beschikbaarheidsvereiste zoals genoemd in artikel 16, eerste lid, onder b, van de WW voldeed. Het enkel stellen dat zulks het geval is, is daartoe onvoldoende.

4. Ter beoordeling staat thans de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.1. Appellant heeft eerst op 21 april 2006 een aanvraag ingediend om met ingang van 7 maart 2005 in aanmerking te komen voor een WW-uitkering. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, onder andere in zijn uitspraak van 7 april 2004, LJN AP3617, USZ 2004/212, dient in het geval waarin geruime tijd na het ontstaan van de gestelde werkloosheid om een WW-uitkering wordt verzocht, terwijl daartoe in beginsel eerder de mogelijkheid bestond, op overtuigende wijze door betrokkene te worden aangetoond dat ten tijde van belang aan alle voorwaarden voor het recht op uitkering, waaronder beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt, werd voldaan. In een dergelijke situatie kan het Uwv zich immers slechts achteraf een juist beeld trachten te vormen van de gestelde feiten en omstandigheden, waaronder ook houding en gedrag van betrokkene.

De Raad overweegt dat zowel op basis van hetgeen uit de gedingstukken naar voren is gekomen als het verhandelde te zijner zitting ook naar zijn oordeel appellant zijn beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet heeft aangetoond. De enkele mededeling van appellant op de aanvraag om een WW-uitkering dat hij beschikbaar is voor werk acht de Raad onvoldoende onderbouwd om op basis daarvan beschikbaarheid te kunnen aannemen.

4.2. De Raad merkt nog op dat de uitspraak van 2 november 2005, LJN AU5457 waarnaar appellant in hoger beroep heeft verwezen niet ziet op de onderhavige situatie waarbij geruime tijd na het ontstaan van de gestelde werkloosheid om een WW-uitkering wordt verzocht.

5. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

BvW