Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2253

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
06-59 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Niet onaannemelijk dat het gebruik van XTC-pillen door appellant niet los kan worden gezien van appellants eerder genoemde chronische PTSS-klachten. Geen nader onderzoek naar verminderde toerekenbaarheid.

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/59 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 november 2005, 05/5545 en 05/7557 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris),

Datum uitspraak: 8 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2008. Voor appellant is verschenen mr. N. van Bremen, werkzaam bij de VBM/NOV. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I. Biharie-Pronk, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, sergeant der mariniers algemeen, was voor onbepaalde tijd aangesteld bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Marine, laatstelijk in de functie van [functie]. In april 2005 is hij door de Koninklijke Marechaussee aangehouden wegens verdenking van het bezit van harddrugs, te weten XTC-pillen. Appellant is daarop in zijn ambt van militair geschorst en in kennis gesteld van het voornemen van de staatssecretaris om hem oneervol ontslag te verlenen wegens het bezit van harddrugs.

1.2. Bij besluit van 24 juni 2005, na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 14 september 2005, heeft de staatssecretaris appellant, op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement met ingang van 15 juli 2005 ontslag verleend wegens wangedrag buiten de dienst.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

3.1. Niet in geschil is dat appellant bij herhaling harddrugs aanwezig heeft gehad en gebruikt, hetgeen ingevolge het door de staatssecretaris gevoerde beleid als regel tot ontslag leidt.

3.2. In onderdeel 324 van de “Richtlijn met betrekking tot het gedrag van militairen en de correctie van ongewenst gedrag” (hierna: Richtlijn) is voor zover hier van belang het volgende vermeld: “De militair die (hard)drugs gebruikt en zich vrijwillig als gebruiker aanmeldt, zal worden geplaatst bij de Sociaal Medische Dienst Koninklijke Marine (SMDKM) van waaruit begeleiding zal plaatsvinden. Een militair die begeleiding zoekt zal in beginsel niet direct worden geconfronteerd met bestuursrechtelijke handhavings-mechanismen.”

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant zich niet op deze beleidsregel kan beroepen, nu hij zich niet wegens zijn drugsgebruik bij de SMDKM heeft gemeld. Immers, blijkens de verklaring van de aan de SMDKM verbonden klinisch psycholoog drs. J.A.F. van der Veen van 18 april 2005 is appellant in augustus 2003 naar hem verwezen in verband met reeds geruime tijd bestaande, in frequentie en intensiteit toenemende, klachten van emotionele aard die in het bijzonder samenhingen met eerdere deelname van appellant aan uitzendingen naar Cambodja en Bosnië. Van een melding bij de SMDKM als gebruiker van harddrugs kan dus niet worden gesproken.

3.3. De stellingen van appellant roepen echter tevens de vraag op of zijn wangedrag hem (volledig) kan worden toegerekend. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is bij appellant de diagnose van een posttraumatische stress-stoornis (PTSS), chronisch met verlaat begin, gesteld en is appellant in de periode van augustus 2003 tot september 2004 bij voornoemde psycholoog in psychotherapeutische behandeling geweest. Appellant heeft bij deze psycholoog aangegeven - zo blijkt uit diens verklaring van 11 mei 2005 - ongeveer één XTC-pil per maand te gebruiken. Naarmate de behandeling vorderde heeft hij, volgens de psycholoog, dat gebruik gereduceerd tot een halve pil per maand. Op

31 augustus 2004 is de psychotherapeutische behandeling met instemming van appellant afgesloten, omdat hij in voldoende mate was hersteld om zonder professionele ondersteuning verder te gaan.

3.4. Echter, bij zijn onder 1.1. genoemde aanhouding en de daarop gevolgde nachtelijke insluiting in een cel, heeft appellant wederom zodanig ernstige last gehad van zijn PTSS dat hij andermaal professionele psychotherapeutische ondersteuning nodig had, die in het kader van het nazorgprogramma - onweersproken - tot de dag van vandaag voortduurt.

3.5. In het licht van deze feiten en omstandigheden acht de Raad het niet uitgesloten dat de chronische PTSS-klachten van appellant ook na het beëindigen van zijn behandeling in augustus 2004 steeds latent en dicht aan de oppervlakte aanwezig waren. Dat appellant zich toen zo goed voelde dat hij met beëindiging van de psychotherapeutische behandeling heeft ingestemd, doet daaraan - mede gezien het karakter van zijn aandoening - niet wezenlijk af. In dit kader acht de Raad het voorts niet onaannemelijk dat het gebruik van XTC-pillen door appellant niet los kan worden gezien van appellants eerder genoemde chronische PTSS-klachten, temeer nu de psycholoog Van der Veen in zijn onder 3.3. genoemde verklaring van 11 mei 2005 heeft aangegeven dat het XTC-gebruik van appellant zou kunnen duiden op zelfmedicatie.

3.6. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris aanleiding had moeten vinden om nader te onderzoeken of bij appellant sprake was van een verminderde toerekenbaarheid van de hem verweten gedraging. Nu dit onderzoek achterwege is gelaten, is het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd, zodat dat besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd. De staatssecretaris zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen waarbij eerst het advies dient te worden ingewonnen van een onafhankelijke externe psychiater.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om de staatssecretaris op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand, derhalve in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 14 september 2005;

Draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van in totaal € 966,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 345,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD