Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2250

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
06-3582 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Productiemedewerkster met nekklachten ten gevolge van een auto-ongeval. Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Geen recente medische informatie opgevraagd. Zorgvuldig medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3582 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 11 mei 2006, 05/2016 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 22 februari 2008 (met bijlagen) een toelichting gegeven op de Functionele mogelijkhedenlijst (FML).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2008. Appellante is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, op dat moment werkzaam als productiemedewerkster, is op 22 oktober 1996 uitgevallen met onder meer nekklachten ten gevolge van een auto-ongeval.

1.2. Per einde wachttijd zijn aan appellante uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 11 oktober 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.4. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 november 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 11 november 2005 (hierna: bestreden besluit) ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat bij de besluitvorming niet de vereiste zorgvuldigheid in acht is genomen omdat het Uwv geen recente medische informatie heeft opgevraagd. Zij bestrijdt opnieuw dat zij ermee akkoord is gegaan dat er geen medische informatie zou worden opgevraagd. Voorts is zij van mening dat zij vanwege haar lichamelijke en psychische klachten niet in staat is tot het uitvoeren van een functie in een volledige dagtaak: er is ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. Van een aantal in de geduide functies als G* gesignaleerde aspecten is volgens appellant niet evident dat deze haar belastbaarheid niet overschrijden.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.1. In artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Deze bepaling brengt onder meer mee dat een medisch oordeel inzake de beperkingen van een verzekerde dient te zijn gebaseerd op een volledig en voldoende medisch onderzoek. Het niet inwinnen van informatie bij de (voorheen) behandelend arts(en) kan meebrengen dat het onderzoek niet aan deze eis voldoet. Het niet inwinnen van deze informatie brengt echter niet zonder meer in alle gevallen mee dat het onderzoek als onvoldoende zorgvuldig moet worden beoordeeld.

4.1.2. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de Raad sprake van een zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat verzekeringsarts J. Verhoeven zijn oordeel blijkens zijn rapport van 28 juni 2005 heeft gebaseerd op de anamnese, eigen medisch onderzoek en de in het dossier aanwezige informatie. Volgens Verhoeven werd in overleg met appellante afgezien van het inwinnen van medische informatie. Ter toelichting is in dit rapport aangetekend dat appellante niet meer onder behandeling van een specialist staat en dat er de afgelopen jaren geen behandelingen of onderzoeken meer hebben plaatsgevonden.

Wat er ook zij van appellantes standpunt dat zij niet akkoord is gegaan met het afzien van het opvragen van medische informatie, vastgesteld moet worden dat ten tijde van de datum in geding niet is gebleken van een reeds in gang gezette behandeling.

De afspraakbevestigingen die appellante heeft overgelegd zien op afspraken medio oktober 2005, derhalve rond de datum in geding. Gelet op de datum van deze brieven (11 augustus 2005) ligt het in de rede aan te nemen dat de afspraken zijn gemaakt ná het onderzoek door de verzekeringsarts op 23 juni 2005. Onder deze omstandigheden handelde de verzekeringsarts niet onzorgvuldig door geen recente medische informatie op te vragen.

4.1.3. De omstandigheid dat ook de bezwaarverzekeringsarts geen medische informatie heeft opgevraagd bij de behandelaars van appellante acht de Raad evenmin onzorgvuldig. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellante in bezwaar heeft aangegeven dat ze naar de neuroloog was verwezen. Niet echter is gebleken dat appellante op de datum in geding onder behandeling stond van een neuroloog. Er is enkel gebleken van afspraken vlak ná de datum in geding. Bovendien hebben de door appellante in bezwaar overgelegde brieven ter bevestiging van de gemaakte afspraken vlak na de datum in geding betrekking op verpleegkundige pijnbestrijding, anesthesiologie en een klinisch psycholoog; niet op een neuroloog. Voorts is volstrekt onduidelijk gebleven of deze afspraken zijn uitgemond in enig behandelvoorstel of dat het is gebleven bij een eenmalig consult. Appellante heeft later in de procedure geen nieuwe medische stukken overgelegd van een van de hierboven genoemde specialisten.

4.1.4. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1.1. tot en met 4.1.3. is de Raad van oordeel dat appellantes grief inzake het ten onrechte niet opvragen van recente medische informatie dient te worden verworpen.

4.2. De Raad ziet echter een andere reden het bestreden besluit te vernietigen en overweegt daartoe het volgende.

4.2.1. Appellante is ten behoeve van de beoordeling per einde wachttijd in 1997 in het destijds opgestelde belastbaarheidspatroon op het aspect reiken beperkt geacht tot 150 keer per uur 60 centimeter. In 2002 heeft de zogeheten vijfdejaarsherbeoordeling plaatsgevonden. De verzekeringsarts O.H.C.M. Dittrich heeft in zijn rapport van 25 september 2002 geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante conform het opgestelde belastbaarheidsprofiel d.d. 29 juli 1997 is, maar heeft – in verband met de invoering van het claim beoordelings en borgingssysteem (CBBS) dit profiel omgezet naar een FML. In de op 24 september 2002 gedateerde FML is appellante op het aspect 4-9 (frequent reiken tijdens het werk) beperkt geacht, hetgeen in dit geval wil zeggen “kan zo nodig tijdens ongeveer een uur per werkdag frequent reiken” (ongeveer 20 keer per minuut en derhalve 1200 keer per uur). Bij de onderhavige herbeoordeling door verzekeringsarts Verhoeven heeft deze in zijn rapportage van 28 juni 2005 geconcludeerd dat de FML van 24 september 2002 de huidige mogelijkheden adequaat weergeeft, met dien verstande dat er geen medische indicatie voor een urenbeperking meer bestaat. In de vervolgens door Verhoeven opgestelde FML van 28 juni 2005 heeft appellante echter op het aspect frequent reiken tijdens het werk (4-9) een normaalwaarde gescoord.

4.2.2. De Raad stelt vast dat in de FML van 28 juni 2005 in afwijking van de conclusie van de verzekeringsarts Verhoeven een lichtere beperking is aangenomen dan in de FML van 22 september 2002.

4.2.3. Desgevraagd heeft de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp in zijn in hoger beroep bij de in rubriek I genoemde brief van 22 februari 2008 overgelegde rapportage van 13 februari 2008 gesteld dat hij volledig kan begrijpen dat verzekeringsarts Verhoeven de beperkingen op het aspect frequent reiken tijdens het werk heeft laten vallen. Hij stelt hiertoe dat in 2002 de ervaring met het in dat jaar nieuw ingevoerde CBBS nog relatief gering was, en met name ook praktijkervaringen met betrekking tot het invullen van de FML. Voorts is Dittrich volgens Waasdorp voorbij gegaan aan het feit dat appellante in 2002 al diverse werkzaamheden heeft verricht en activiteiten heeft ontplooid, welke dan ook al niet overeenkomen met de beperkingen zoals gesteld in R4-9 (frequent reiken tijdens het werk). Voorts zou Dittrich de FML hebben ingevuld, uitgaande van de minst gunstige situatie, terwijl hij in zijn bewoordingen aangeeft dat hij in feite bedoelt dat boven-normaal-belastingen beperkt zijn. Dit zou vooral opvallen bij het aspect frequent buigen. Waasdorp wijst er daarnaast op dat appellante na het haar in 1996 overkomen auto-ongeval zelfs werkzaam is geweest in de schoonmaakbranche, wat frequent reiken inhoudt.

4.2.4. De rapportage van Waasdorp overtuigt de Raad niet. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de omstandigheid dat in 2002 de ervaring met het in dat jaar nieuw ingevoerde CBBS (met name de praktijkervaring met betrekking tot het invullen van de FML) nog relatief gering was, geen verband heeft met de conclusie van Dittrich destijds dat de belastbaarheid van appellante ongewijzigd (want conform het opgestelde belastbaarheidprofiel van 29 juli 1997) is, hetgeen voor wat betreft het aspect reiken betekent dat deze met name met betrekking tot de frequentie fors beperkt is, te weten tot 150 keer per uur. Bovendien stelt de Raad vast dat bij de vertaling van FIS naar FML ondanks Dittrichs oordeel van een ongewijzigde belastbaarheid, de frequentie van het reiken tijdens het werk al fors is verhoogd. Met de overige kritiek van Waasdorp op Dittrich is naar het oordeel van de Raad sprake van een ontoelaatbare relativering van de door Dittrich vastgestelde belastbaarheid op het aspect reiken. Naar het oordeel van de Raad heeft Waasdorp evenmin een afdoende motivering gegeven voor het feit dat de conclusie van Verhoeven afwijkt van hetgeen uiteindelijk in de FML van 28 juni 2005 is neergelegd.

4.2.5. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2.1 tot en met 4.2.4 komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient te worden vernietigd.

4.2.6. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.3. Namens appellante is op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade in de vorm van wettelijke rente aan de zijde van appellante. Het ligt thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van het nieuwe besluit tevens antwoord moeten geven op de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

4.4. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand. Er is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten in eerste aanleg.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Rijnen.

SSw